Met Paul Ricœur schuift een gast aan die veel van de voorgaande gasten kende. Hij was bevriend met Gabriel Marcel, vertaalde Husserl, voerde het gesprek met Gadamer dat tussen Gadamer en Levinas nooit gevoerd werd, debatteerde met de erfgenamen van Freud en Heidegger, en deelde jarenlang de gang met Levinas. Ricœur is voor mij de man die aan het eind van de avond de gesprekken aan tafel nog eens langsloopt om te zien of ze toch niet iets met elkaar te maken hebben.
Dat was zijn temperament en zijn methode. Waar Levinas de breuk zocht en Derrida de barst, zocht Ricœur de bemiddeling. Het leverde hem de naam op van een vriendelijke verzoener. Maar doet dat hem niet tekort?
Twee stemmen
Paul Ricœur wordt in 1913 geboren in Valence. Zijn moeder sterft kort na zijn geboorte, zijn vader sneuvelt in september 1915 aan de Marne. Hij groeit op als oorlogswees bij zijn grootouders in Rennes, in een streng protestants gezin vol boeken en bijbelstudie. Geloof en filosofie blijven zijn leven lang twee stemmen die hij zorgvuldig uit elkaar houdt, maar die hij ook allebei wil laten spreken. (1)
Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, wordt hij, net als Levinas, krijgsgevangen gemaakt. Hij zit de hele oorlog in kampen in Pommeren, in Groß-Born en Arnswalde. Wat hij daar doet: hij vertaalt Husserls Ideen I in de kantlijnen van het boek zelf, met potlood, in een microscopisch handschrift, bij gebrek aan papier. Die vertaling wordt na de oorlog een standaardwerk. (2) Ik werd er stil van toen ik dat las. Terwijl Levinas in zijn kamp de aantekeningen maakt die tot het il y a leiden, zit Ricœur in de marge van Husserl te schrijven. De twee mannen die de fenomenologie in Frankrijk op de kaart zetten, zaten allebei jarenlang opgesloten….
Paul Ricoeur bij de Sarbonne via Filosofie Magazine
Na de oorlog volgt een academische loopbaan langs Straatsburg, de Sorbonne en Nanterre, de nieuwe universiteit waar hij de filosofieopleiding mee opbouwt en waar hij in april 1969 tot decaan wordt gekozen. Dat loopt pijnlijk af. Twee jaar na mei 1968 is de campus een slagveld. Als de minister van Binnenlandse Zaken de politie het terrein op stuurt en er bij de charges ongeveer tweehonderd gewonden vallen, treedt Ricœur op 9 maart 1970 af. Hij gaat drie jaar naar Leuven, waar het Husserl-archief ligt, en doceert van 1970 tot 1992 in Chicago. (3) In de jaren waarin het structuralisme en de deconstructie in Frankrijk de toon zetten, staat Ricœur een beetje aan de zijlijn. Men ziet hem soms als een humanist uit een voorbije tijd. Hij blijft rustig zijn eigen weg gaan. Als hij in 2005 op tweeënnegentigjarige leeftijd overlijdt, is hij overal ter wereld gelezen en vertaald.
De omweg
Het denken van Ricœur draait om één basisgedachte: de omweg. Er is geen snelle, directe route naar wie je bent. Als je jezelf wilt begrijpen, moet je buitenom: langs de tekens, de verhalen en de symbolen waarin we ons uitdrukken. Je leert jezelf pas kennen door wat je leest, hoort en weer doorgeeft. Daaronder ligt een diep besef dat hem dicht bij Levinas brengt: de werkelijkheid past simpelweg niet in één systeem. Geen enkele theorie krijgt haar helemaal rond.
Ricœur maakt een belangrijk onderscheid tussen de manieren waarop naar verhalen wordt gekeken. De eerste is de hermeneutiek van het vertrouwen: je luistert naar een verhaal om de betekenis ervan te ontvangen. De tweede is de hermeneutiek van het vermoeden: de school van Marx, Nietzsche en Freud. Zij zoeken achter de woorden altijd naar een verborgen belang, een machtsstrijd of een onbewust verlangen. Ricœur kiest niet tussen die twee werelden. Hij gelooft dat echt vertrouwen pas ontstaat als je het vermoeden onder ogen hebt durven zien. Je moet soms eerst verklaren om het goed te kunnen verstaan.
Voor wie luistert, is dit de dagelijkse praktijk. In elk gesprek zijn beide benaderingen aanwezig. Je kunt ontvangen wat iemand je vertelt, precies zoals het bedoeld is. En tegelijk kun je je afvragen wat eronder ligt. Wie alleen maar vertrouwt, is naïef; wie alleen maar wantrouwt, hoort de ander niet meer. Volgens Ricœur gaat het om de juiste volgorde: het vermoeden mag dienen, maar mag niet regeren.
Er is nog een gedachte die aansluit bij de praktijk van het luisteren: de narratieve identiteit. Een mens is geen vaststaand feit, maar een geschiedenis die verteld en herverteld moet worden. Je kiest je begin niet en je voorziet de wendingen niet, maar door je verhaal te delen en trouw te blijven aan je beloften, word je langzaam de auteur van je eigen identiteit.(6) Luisteren krijgt hiermee een functie die verder gaat dan alleen aandacht voor het moment. Wie luistert, helpt een levensverhaal te dragen. En soms help je met het herschikken, wanneer iemand in het eigen verhaal is vastgelopen.
Het etiket en de omweg
Hoe die lange omweg er in de praktijk uitziet, merkte ik toen ik een moeder van een ziek tiener ontmoette. Ze had gevraagd of ze mij kon spreken en noemde zichzelf aan de telefoon een ‘tokkie’. Toen ik naar de afgesproken ruimte liep, zocht ik onbewust naar iemand die paste bij het beeld dat ik bij dat woord had: ma Flodder.
Daar stond ze midden in een drukke hal. Ze zag er vermoeid uit, was erg zwaar en haar haar was lang niet bij de kapper geweest. Ze droeg een roze, te kleine jas. Na onze begroeting stelde ik haar de vraag die mij als sinds ons telefoongesprek bezighield: “Waarom noemt u zichzelf een tokkie?”
Haar antwoord legde een heel leven bloot. “Omdat ik er zo uitzie,” zei ze zacht, “en omdat ik ook zo behandeld word.”
Sinds haar dochter ziek was, nam ze geen tijd meer voor zichzelf. Elke minuut en elke gedachte gingen naar haar dochter. Haar emoties en angst at ze letterlijk op om maar sterk te blijven. En die te kleine jas? Dat was de jas van haar zieke dochter. Ze droeg hem om haar kind dicht bij zich te voelen, alsof ze haar zo kon beschermen.
Met een zekere gelatenheid vertelde ze dat ze zich in de zorg vaak niet serieus genomen voelde. Als de artsen over haar dochter spraken, deden ze dat soms in het Latijn. Dat had als effect dat zij als moeder buiten de cirkel stond. Althans, er werd stilzwijgend aangenomen dat ze die taal niet zou verstaan. Terwijl dat niet niet klopte.
Dit is wat Ricœur narratieve identiteit noemt. Wie alleen naar haar uiterlijk kijkt, ziet een verwaarloosde vrouw. Dat is de korte route naar een snel oordeel. Ook de professionals die met de beste bedoelingen voor haar kind zorgden, zagen haar buitenkant en namen haar niet helemaal serieus. Zodra je de lange omweg in haar verhaal neemt, valt het etiket weg. Wat op verwaarlozing leek, was de loodzware vorm die haar moederliefde had aangenomen.
Door haar de ruimte te geven om haar verhaal te vertellen, verschoof ze van een persoon, naar een mens met een naam en een geschiedenis.
De buurman
De verhouding tussen Ricœur en Levinas kenmerkt zich door wat ik een stille nabijheid zou noemen. Waar de dialoog met Derrida begon met een vlijmscherp debat en eindigde met een rede aan het graf, liep het met Ricœur heel anders. Er was veertig jaar lang wederzijds respect, waarin hun meningsverschil er kon zijn zonder de verhouding te beschadigen. In 1967 komt Levinas naar Nanterre, waar hij zes jaar blijft. Jarenlang zijn ze daar collega’s. [7]
Na het verschijnen van Soi-même comme un autre in 1990 blijft Levinas bij zijn stelling. In gesprekken met Michaël de Saint-Cheron, tussen 1992 en 1994, gaat hij op Ricœurs bezwaar in en houdt hij vast aan een verhouding waarin ik niets terugverwacht. In 1994 draagt hij een korte tekst bij aan een bundel over Ricœur, over de menselijke uniciteit van het voornaamwoord ‘ik’. [8] Na de dood van Levinas verschijnt van Ricœur het boekje Autrement, een meelezen met Anders dan zijn. [9]
Waar Blanchot de vriend was en Derrida de aandachtige lezer, was Ricœur de buurman: degene die er al die tijd naast stond, meelas, maar ook bleef doorvragen.
Het meningsverschil
Dat doorvragen gebeurt het scherpst in Jezelf als een ander uit 1990. Ricœur vat zijn ethiek samen in één zin: streven naar het goede leven, met en voor de ander, in rechtvaardige instituties. Wie de eerdere essays las, herkent daarin hoe het verlangen naar geluk en de Ander van Levinas samenkomen in de instituties waarin de derde meetelt.
Maar hier klinkt ook zijn kritiek. Levinas, schrijft Ricœur, drijft de asymmetrie zo ver door dat er van het ‘ik’ bijna niets overblijft. De gijzelaarsrol, de plaatsvervanging waarin ik de plek van de ander inneem, het zijn voor hem hyperbolen: overdrijvingen met een filosofisch doel. Want wat gebeurt er als je die woorden letterlijk neemt? Als de roep alles is en het zelf niets, wie antwoordt er dan nog? Een appèl heeft een luisteraar nodig.
Ricœur wil dat die luisteraar ook kan onderscheiden wie hem aanspreekt: is het een slachtoffer of iemand die hem beledigt? Dat onderscheidingsvermogen vraagt om een zelf dat zichzelf niet volledig wegcijfert. Een mens die kan zeggen: ‘hier ben ik’, simpelweg omdat dit mens zichzelf de moeite waard vindt om te geven. Zonder die minimale zelfachting is er geen ontvankelijkheid, en zonder ontvankelijkheid geen antwoord.
Zijn tegenwicht zoekt Ricœur in wat hij toewijding noemt. Hij zoekt naar de beweging terug, van de Ander naar het zelf, en vindt die in wat we in onze kwetsbaarheid met elkaar delen. Wie zorgt, is in het begin vaak de sterkste. Maar in de ontmoeting met het lijden heft die voorsprong zich wellicht ook op. Wie lijdt, kan misschien niets meer doen, maar geeft door zijn aanwezigheid toch iets terug aan de ander. Daar herstelt zich een gelijkwaardigheid van diepe, gedeelde menselijkheid.
En hier zit mijn eigen, voortdurende twijfel. Want hoe weet ik, als ik tegenover iemand zit, of ik mezelf aan het verliezen ben, of dat ik simpelweg weiger de prijs van de ontmoeting te betalen?
Soms voelt Ricœurs nadruk op zelfbehoud en de ‘rechtvaardige afstand’ als een heel comfortabel excuus om op een veilige, professionele afstand te blijven. Dan ben ik bang dat ik mijn eigen grenzen zo dichtmetsel dat de ander me niet meer echt kan raken. Maar op andere dagen voelt Levinas oneindige appèl juist als een loodzware claim, alsof ik pas echt goed luister als ik er zelf aan onderdoor ga.
Levinas zou me dan streng aankijken en antwoorden dat verantwoordelijkheid je nu eenmaal niet vraagt of je die wel aankunt. Dat wie de maat van het ‘ik’ tot norm maakt, de ethiek tot een rekensom reduceert. Maar Ricœur houdt vol: een ethiek die het zelf verteert, heeft de ander uiteindelijk niets meer te bieden. Wederkerigheid hoeft niet kil te zijn; ze kan de vorm aannemen van vriendschap, waarin we niet ‘tellen’ wie wat geeft.
Ik geef ze allebei gelijk, op verschillende dagen en momenten. Het is een voortdurend zoeken. Volgens mij hoort die twijfel er ook gewoon bij.
Wat overblijft
Ricœur sterft in mei 2005. Wie de sterfjaren van de denkers uit deze reeks op een rij zet, ziet iets ontroerends. Sartre staat in 1980 als eerste op, de Beauvoir volgt in 1986, Levinas overlijdt in 1995, Gadamer in 2002, Blanchot in 2003, Derrida in 2004 en Ricœur in 2005. In een kwart eeuw liep de tafel leeg waar ze allemaal hadden gezeten. Wat overblijft is wat er altijd overblijft na een goed gesprek: de gespreksstof, en de manier waarop de stemmen elkaar hebben veranderd.
Wat ik na het lezen van alle stukken van Ricoeur meeneem over het luisteren, is dat het begint met een omweg . Je verstaat iemand niet door recht op het doel af te gaan; het verhaal is de koninklijke weg.
Daar hoort een volgorde van vertrouwen en vermoeden bij: eerst ontvangen, dan wegen, en , ik denk heel belangrijk juist in onze tijd: het wantrouwen nooit het eerste woord geven.
En dan de vraag die ik aan Levinas en aan mezelf stel: houd ik mijn eigen zelf voldoende overeind om te kunnen blijven antwoorden? Wie luistert met en voor anderen, in rechtvaardige instituties, moet af en toe ook naar zichzelf omkijken. Ricœur gaf daar met een stevig filosofisch fundament toestemming voor. Een mooie vorm van goedheid.
Noten
(1) François Dosse, Paul Ricœur: les sens d’une vie (Parijs: La Découverte, 1997); Paul Ricœur, Réflexion faite: autobiographie intellectuelle (Parijs: Esprit, 1995).
(2) Edmund Husserl, Idées directrices pour une phénoménologie, vertaald door Paul Ricœur (Parijs: Gallimard, 1950).
(3) François Dosse, Paul Ricœur: les sens d’une vie; voor de verkiezing tot decaan in april 1969 en het aftreden op 9 maart 1970 ook de biografie van het Fonds Ricœur.
(4) Paul Ricœur, Le conflit des interprétations (Parijs: Seuil, 1969).
(5) Paul Ricœur, De l’interprétation: essai sur Freud (Parijs: Seuil, 1965).
(6) Paul Ricœur, Temps et récit III (Parijs: Seuil, 1985), en Soi-même comme un autre (Parijs: Seuil, 1990).
(7) Salomon Malka, Emmanuel Levinas: la vie et la trace (Parijs: JC Lattès, 2002).
(8) Michaël de Saint-Cheron, Entretiens avec Emmanuel Levinas 1992-1994 (Parijs: Librairie générale française, 2006), 21-52; Emmanuel Levinas, “L’unicité humaine du pronom je”, in Éthique et responsabilité. Paul Ricœur, red. J. Ch. Aeschlimann (Neuchâtel: La Baconnière, 1994), 35 e.v.
(9) Paul Ricœur, Autrement: lecture d’Autrement qu’être ou au-delà de l’essence d’Emmanuel Levinas (Parijs: PUF, 1997).
(10) Paul Ricœur, Soi-même comme un autre, zevende studie; in de Engelse vertaling Oneself as Another (Chicago: University of Chicago Press, 1992), 172.
(11) Paul Ricœur, Soi-même comme un autre, tiende studie; Oneself as Another, 336-339.
(12) Paul Ricœur, Soi-même comme un autre, achtste studie; Oneself as Another, 188-190.
Laat een reactie achter