Me voici Hier ben ik

Een filosofische reis naar de Ander

Het oor van de ander

Het oor van de ander

Derrida, Levinas en de vraag wie er eigenlijk ondertekent

Deel 22 van 24 22 augustus 2026 17 min lezen Taal

Derrida stond niet hoog op mijn lijstje om te gaan lezen. Ik liet mij beïnvloeden door wat anderen over hem zeiden: moeilijk en ironisch. Ik ben er dus pas laat aan begonnen. Maar toen ik zijn teksten over Levinas eindelijk las, kwam ik iemand tegen die vooral leest. Ik ken weinig mensen die Levinas zo nauwgezet hebben gevolgd. Hun verhouding begon met een lang essay en eindigde aan een graf, en daartussen liggen ruim dertig jaar waarin ze elkaar blijven lezen.

In een van de vorige delen schreef ik over Gadamer, en over het gesprek met Levinas dat nooit gevoerd werd. Bij Derrida werd het wel gevoerd, decennialang, en beide denkers zijn er anders uitgekomen. Maar waar ik achter kwam: Derrida heeft iets over luisteren gezegd wat ik eerder had willen weten: dat het oor van de Ander ondertekent.

Maar één taal

Jackie Derrida werd op 15 juli 1930 geboren in El-Biar, een buitenwijk van Algiers, in een Sefardisch-Joods gezin. Frankrijk was zijn land en Frans zijn taal, maar ergens vanzelfsprekend bij horen, deed hij nooit. In 1942 werd hij van school gestuurd. Het Vichy-regime had de quota voor joodse leerlingen in Algerije verlaagd, en de twaalfjarige Jackie werd op een ochtend het lyceum uitgezet, zonder dat een leraar of een klasgenoot er ook maar iets van zei. De taal waarin hij dacht en droomde was de taal van het land dat hem buitensloot. In Le monolinguisme de l’autre staat de zin die ik echt nooit meer zal vergeten: Je n’ai qu’une langue, ce n’est pas la mienne.(1) ‘Ik heb maar één taal, het is niet de mijne.’ Ik word daar stil van.

Ik aarzel wel, net als bij Buber, om zijn denken uit zijn jeugd te verklaren. Maar als je wil begrijpen waarom Derrida zijn leven lang schreef over de rand en over de gast die binnen en buiten tegelijk staat, mag deze schooljongen volgens mij niet vergeten worden.

In 1964 verscheen in een filosofisch tijdschrift een essay van ruim tachtig pagina’s over het werk van een denker die buiten een kleine kring nauwelijks gelezen werd: Violence et métaphysique, essai sur la pensée d’Emmanuel Levinas. De schrijver was vierendertig, had gestudeerd aan de École Normale Supérieure en zou drie jaar later met drie boeken tegelijk beroemd worden. Tussen hem en Levinas lagen vierentwintig jaar, een generatie. (2)

Het essay is een merkwaardige mengeling van eerbied en tegenspraak. Derrida neemt Totalité et infini serieuzer dan bijna iedereen destijds, en hij spaart Levinas niet. Zijn kernvraag raakt het hart van Levinas onderneming. Levinas wil spreken over de Ander die aan al mijn begrippen voorafgaat. Maar hij moet dat doen in taal en taal is van ons allemaal. Wie “de Ander” zegt, heeft de Ander al opgenomen in het net van begrippen dat hem juist niet mocht vangen. Er is, schrijft Derrida, een geweld dat aan elke ethische keuze voorafgaat en de relatie zelf sticht. (3)

Dit komt van iemand die wil dat het project slaagt en die ziet waar het schuurt. Levinas heeft het zo opgevat. Hij antwoordde in 1973 met een kort essay over Derrida, Tout autrement, vol waardering en weerwerk. (4) En wie Autrement qu’être leest, met het Zeggen dat zich telkens moet ont-zeggen, ziet een denker die de vraag van zijn jongere lezer in zijn eigen schrijven heeft binnengelaten. Over die beweging van Zeggen en ont-zeggen schreef ik in deel 9. Wat ik daar nog niet vertelde: Derrida’s essay was een van de aanleidingen.

Me voici, en het afscheid

Het gesprek tussen hen was allesbehalve eenzijdig. In 1980 droeg Derrida aan een bundel voor Levinas een tekst bij met de omslachtige titel En ce moment même dans cet ouvrage me voici. Wie deel 10 van deze reeks heeft gelezen, herkent het slot: me voici, hier ben ik, het woord waarmee bij Levinas de verantwoordelijkheid begint. Derrida vraagt zich in die tekst af hoe je een denker kunt bedanken wiens hele werk over de gift aan de Ander gaat. Als je iemand uitgebreid bewondert of prijst, geef je eigenlijk iets terug. Daarmee verander je een puur geschenk ongemerkt in een soort ruilhandel.

Derrida kiest daarom voor een heel ander gebaar: hij schrijft een tekst die de woorden van Levinas simpelweg opneemt en weer deelt, precies zoals je een kostbaar cadeau doorgeeft aan een ander. (5)

Vijftien jaar later, op 27 december 1995, sprak Derrida aan het graf van Levinas. Zijn eerste zin: “Al lang, zo lang al, zag ik ertegen op Emmanuel Levinas Adieu te moeten zeggen. En ik wist, vervolgde hij, dat mijn stem zou trillen wanneer ik het zei, en vooral wanneer ik het hardop zei, hier, voor hem, zo dicht bij hem, met dit woord van afscheid, dit woord à-Dieu dat ik in zekere zin van hem heb, dit woord dat hij mij anders heeft leren denken, of anders uitspreken.”

In de rede, en in het boekje Adieu dat eruit voortkwam, leest Derrida Totalité et infini als een immens traktaat van gastvrijheid. Hij citeert de zinnen die dat onderbouwen: het wezen van de taal is goedheid, vriendschap en gastvrijheid. Voordat ik iets ben, ben ik ontvangst, een deur die al openstond. En hij herinnert de aanwezigen eraan dat het gastvrije Frankrijk twee van zijn grootste filosofische gebeurtenissen, de komst van Husserl en Heidegger in de Franse taal, te danken had aan deze immigrant. De rede eindigt met twee woorden: Adieu, Emmanuel. (6)

Van alles wat er over Levinas geschreven is, komt deze rede wat mij betreft het dichtst bij hem. Uitgesproken door zijn misschien wel zijn scherpste tegenspreker.

De noodzaak van het onderscheid

Veel lezers, onder wie Simon Critchley, die ik in deel 9 nog aanhaalde, hebben de deconstructie een ethische motivatie toegedicht: achter al het ontleden zou het verlangen schuilgaan om de Ander recht te doen, in de geest van Levinas. Hägglund betoogt dat dit een vrome misvatting is. (7) Bij Levinas gaat aan de oorlog een vrede vooraf; de Ander komt van de Goedheid. Bij Derrida bestaat die eerste vrede niet. Openheid voor de ander is bij hem openheid voor wat er ook maar komt, en dat kan het beste zijn of het ergste. Wie zijn deur onvoorwaardelijk openzet, verwelkomt ook wat kan verwoesten. Daarom is er, in Hägglunds woorden, een noodzaak van het onderscheid: elke ontvangst weegt en sluit iets uit. Gastvrijheid zonder grenzen zou de gastvrijheid opheffen, want een huis zonder deuren kan niemand meer ontvangen.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, maar ik houd die wel stevig vast. Ook voor het luisteren. Het is verleidelijk om te denken dat goed luisteren wil zeggen: alles binnenlaten, zonder oordeel en zonder grenzen. Maar wie luistert, selecteert al. Ik kan niet iedereen tegelijk horen, maar ook niet altijd alles tot mij nemen. En aandacht voor de één gaat op datzelfde moment ten koste van de ander. In deel 9 verscheen de derde, die van mijn nabijheid een correctie vraagt. Derrida zegt iets wat daarop lijkt, zonder opsmuk en zonder de geruststelling dat de goedheid eerst kwam.

Luisteren is volgens Derrida daarom nooit vrijblijvend. Het verdeelt aandacht, en die verdeling heeft gevolgen voor wie het niet krijgt. Maar het opent ook mensen: wie goed luistert brengt iemand ertoe woorden te geven aan wat belangrijk is, en soms verder te gaan dan de bedoeling was. Wat gezegd is, blijft herstelbaar. Iemand kan terugkomen op eigen woorden, en bij Levinas heet die beweging ont-zeggen. Wat ik gehoord heb, blijft bij mij en daar begint mijn deel. Op wat ik uitsluit en op wat ik doe met wat mij gegeven wordt kan ik worden aangesproken. Beschikbaar blijven vraagt erom dat ik aanspreekbaar blijf, ook in de drukte van de Derde, zodat niemand alleen komt te staan met wat hij net heeft laten zien.

Schuld hoeft daar echt niet aan te pas te komen. Roger Burggraeve zegt het zo: ik ben mijn verantwoordelijkheid aan de ander verschuldigd zonder schuldig te zijn. De aanspraak was er al voordat ik besloot te luisteren, en wegkijken is even goed een antwoord daarop. Wie doorloopt, is de vraag niet kwijt. De aanspraak verjaart niet met de gelegenheid.

Het oor van de ander

Maar dan is er die ene gedachte waarvoor ik dit deel eigenlijk heb geschreven.

In 1979 gaf Derrida in Toronto, Canada, een reeks lezingen en rondetafelgesprekken over Nietzsche en de autobiografie, later gebundeld als L’oreille de l’autre, het oor van de Ander. Nietzsche schreef dat zijn werk pas na zijn dood zou worden begrepen. Hij ondertekende, zegt Derrida, op krediet. Maar wanneer vindt zo’n handtekening dan plaats? Het antwoord keert de zaak om: een tekst wordt ondertekend op het moment dat een ander die hoort. Het is het oor van de ander dat ondertekent. Het oor van de ander zegt mij tot mij, en vormt zo pas het zelf van mijn autobiografie. (9)

Wie zijn eigen leven beschrijft, schrijft dus een heterobiografie. Derrida gebruikt dat woord zelf. Gevraagd naar zijn eigen schrijven, zei hij dat hij met de hand van een vrouw zou willen schrijven, waarmee hij de plaats bedoelt van degene die ontvangt en daarmee tekent. Hij trekt die gedachte door: zij schrijft al mee op het moment dat ik schrijf, en wat in de oude terminologie de geadresseerde heet, is bezig in mijn plaats te schrijven. (10) Dat raakt aan wat Levinas substitutie noemt, waarin de plaats van het Zelf al aan de Ander is vergeven.

Het oor is daarvoor het passende orgaan. Ogen kunnen dicht. Het oor heeft geen oogleden. Het oor is unheimlich, schrijft Derrida, en hij herinnert zich Freud: het oor is het meest open orgaan, het orgaan dat de zuigeling niet kan sluiten. (11) Luisteren begint daarmee vóór het besluit om te luisteren. Het geluid heeft mij al bereikt op het moment dat ik nog dacht dat ik iets kon kiezen. Daarin lijkt het op wat Levinas passiviteit noemt: een blootstelling die voorafgaat aan mijn instemming.

Dat geldt volgens Derrida voor elke tekst. Hij spreekt over geschreven werk en over wat er na iemands dood mee gebeurt, en ik zet hier een stap die hij zelf niet zet: ik denk dat het ook voor een gesprek geldt. Als ik iets zeg, is mijn verhaal nog niet af. Mijn woorden worden pas echt voltooid in het oor van de ander dat ze opvangt. Soms worden ze daar helaas ook volledig misvormd.

De filosoof Friedrich Nietzsche is daar het meest pijnlijke voorbeeld van. Zijn teksten over onderwijs werden later door de nazi’s misbruikt. Derrida weigert ons hier gerust te stellen met de makkelijke gedachte dat Nietzsche dit zelf nooit zo gewild zou hebben. Want die geruststelling verklaart nog steeds niet hoe exact dezelfde woorden plotseling het volstrekte tegendeel konden betekenen.

Volgens Derrida is dit het risico van elke tekst die we achterlaten. Zodra woorden op papier staan, is de schrijver er niet meer om ze te beschermen. Een tekst ligt vanaf dat moment open voor iedereen die hem leest of hoort.

Dit legt een grote verantwoordelijkheid bij ons neer. Het is aan ons om de woorden van een ander recht te doen door werkelijk zorgvuldig te lezen en te luisteren. Goed luisteren is daarom nooit neutraal, maar altijd een actieve, morele daad.

Wie luistert, ondertekent dus mee. Daarom kan slecht luisteren zoveel kapot maken: het zet een verkeerde handtekening onder andermans woorden. Een omschrijving die eenmaal in een dossier staat, reist verder dan degene over wie zij gaat, en wie daarna komt leest haar eerst. En daarom weegt goed luisteren zo zwaar: iemands verhaal, en soms iemands leven, wordt mede voltooid door de oren die het horen.

In diezelfde lezingen laat Derrida zien hoe een instituut dat meetekenen kan weg organiseren. Hij leest Nietzsches lezingen over de toekomst van onze onderwijsinstellingen, waarin de vraag wordt gesteld hoe de student met de universiteit samenhangt. Het antwoord luidt: door het oor, als toehoorder. Nietzsche schrijft dat de student aan de navelstreng van de universiteit hangt op het moment dat hij meeschrijft met wat hij hoort, en Derrida neemt dat beeld letterlijk. Het oor dicteert wat de hand noteert. Eén sprekende mond, vele oren, en half zoveel schrijvende handen: dat is wat Nietzsche de cultuurmachine van de universiteit noemt. (13) Dat luisteren ontvangt en tekent niets. Het brengt de luisteraar nergens in de positie waarin deze zelf wordt aangesproken, en dat is het tegenbeeld van de ontmoeting waar Levinas naar zoekt.

Bij mij begon dat al bij Derrida zelf. Ik had hem al beoordeeld voordat ik hem gelezen had, vanwege wat anderen tegen mij gezegd haddeb. Zo werkt een aanname tijdens het luisteren. Het zet de handtekening vast voordat er iets gehoord is, en wat er daarna binnenkomt moet zich tegen die handtekening bewijzen. Dat is wat een mens doet, en wat mij betreft te vaak. Het gaat erom dat ik mijn eerste oordeel licht genoeg houd om het te kunnen bijstellen, wat ik herstelbaarheid noem binnen mijn ‘Architectuur van Luisteren’.

Derrida laat zien dat meetekenen niet te vermijden is. Levinas zet er een beweging tegenover die ik dagelijks nodig heb. Het Gezegde, de vorm die ik aan iemands woorden geef, is nooit onschuldig, want het kan iemand vastzetten. Ontzeggen haalt die vorm weer open, zodat de zin bij degene blijft die hem sprak. Herstelbaarheid is daarvan de dagelijkse houding: terugkomen op wat ik te snel heb vastgelegd, en horen wat mijn woorden bij iemand hebben gedaan.

De kring van zes

Vijftien jaar geleden zat ik in een kring van zes mensen die te horen hadden gekregen dat zij niet meer zouden genezen. Het ging er die middag om taal te geven aan wat je voelt wanneer je hoort dat je leven eindig is. Ik begeleidde het gesprek met een talking stick. Niemand onderbrak, niemand bevestigde of corrigeerde. Ik zei zelf niets. Ik was er om te zorgen dat ieder de ruimte kreeg, en daarmee ging het via mij wie sprak en hoe lang de stilte mocht duren.

Het werd kwetsbaar en confronterend. Sommigen zeiden daar voor het eerst tegen anderen dat zij doodgingen, in een kring waar iedereen dat zou meemaken en ieder er een eigen taal aan gaf, of die taal nog niet had. Sommigen bedankten elkaar voor woorden die zij zelf nog niet gevonden hadden. En iemand vroeg: mag ik doen alsof jullie mijn kinderen zijn en dat ik het jullie moet vertellen, want zij weten het nog niet.

Die middag werd onafgebroken meegetekend. Wat die man zijn kinderen moest vertellen bestond nog niet, en het kon pas bestaan wanneer er oren waren die het hadden gehoord. Hij leende die van ons. En de dankbaarheid ging uit naar woorden die van een ander kwamen, van iemand die had gezegd wat de spreker zelf nog niet had kunnen zeggen. Zo tekent een oor mee, ook wanneer het zwijgt.

Adieu

Misschien raken Derrida en Levinas elkaar hier dieper dan in al hun debatten. Bij Levinas begint de verantwoordelijkheid voordat ik gekozen heb, in het gelaat dat mij aanspreekt. Bij Derrida eindigt een woord pas in het oor van een ander, en daar ligt de verantwoordelijkheid. Wie luistert, staat daartussen.

Ze redden elkaars leven niet, zoals Blanchot en Levinas deden. Hun vriendschap bestond uit lezen. Uit tachtig pagina’s tegenspraak op het juiste moment, een klein essay terug, een tekst als geschenk, en ten slotte een afscheidswoord aan een graf.

Het is een stille vorm van vriendschap: iemand zo lezen dat zijn werk erdoor verandert, en van hem blijven verschillen zolang je leeft.

Adieu, Emmanuel, zei Derrida aan het graf. Het oor van de ander ondertekent. Ook dat afscheid is pas voltooid in wie het hoort.

Noten

1. Jacques Derrida, Le monolinguisme de l’autre, ou la prothèse d’origine, Parijs: Galilée, 1996: « Je n’ai qu’une langue, ce n’est pas la mienne. » Voor de biografische gegevens, waaronder de verwijdering van het lyceum in 1942 onder de Vichy-quota: Benoît Peeters, Derrida, Parijs: Flammarion, 2010.

2. Jacques Derrida, “Violence et métaphysique, essai sur la pensée d’Emmanuel Levinas”, Revue de métaphysique et de morale 69 (1964), in twee afleveringen, nr. 3 en nr. 4; herzien opgenomen in L’écriture et la différence, Parijs: Seuil, 1967. De drie boeken van 1967: De la grammatologie, L’écriture et la différence en La voix et le phénomène.

3. “There is a transcendental and pre-ethical violence. . . . This transcendental violence, which does not spring from an ethical resolution or freedom . . . originally institutes the relation.” Derrida, Writing and Difference, geciteerd naar Martin Hägglund, “The Necessity of Discrimination: Disjoining Derrida and Levinas”, diacritics 34, nr. 1 (2004), 40.

4. Emmanuel Levinas, “Tout autrement”, L’Arc 54 (1973), themanummer over Derrida; opgenomen in Noms propres, Montpellier: Fata Morgana, 1976.

5. Jacques Derrida, “En ce moment même dans cet ouvrage me voici”, in Textes pour Emmanuel Levinas, red. François Laruelle, Parijs: Jean-Michel Place, 1980; opgenomen in Psyché: Inventions de l’autre, Parijs: Galilée, 1987. Over het me voici: deel 10 van deze reeks.

6. Jacques Derrida, Adieu à Emmanuel Lévinas, Parijs: Galilée, 1997, met daarin de grafrede van 27 december 1995 en de latere lezing “Le mot d’accueil”, waarin Totalité et infini een « immense traité de l’hospitalité » wordt genoemd. De openingszinnen: « Depuis longtemps, si longtemps, je redoutais d’avoir à dire Adieu à Emmanuel Lévinas. Je savais que ma voix tremblerait au moment de le faire, et surtout de le faire à voix haute, ici, devant lui, si près de lui, en prononçant ce mot d’adieu, ce mot “à-Dieu” que, d’une certaine façon, je tiens de lui, ce mot qu’il m’aura appris à penser ou à prononcer autrement. » De geciteerde zinnen uit Totalité et infini: « l’essence du langage est bonté » en « l’essence du langage est amitié et hospitalité ». Het slot: « Adieu, Emmanuel. »

7. Martin Hägglund, “The Necessity of Discrimination: Disjoining Derrida and Levinas”, diacritics 34, nr. 1 (2004), 40-71.

8. Roger Burggraeve, uit persoonlijke correspondentie met de auteur

9. Jacques Derrida, “Roundtable on Autobiography”, in The Ear of the Other: Otobiography, Transference, Translation, red. Christie McDonald, vert. Peggy Kamuf en Avital Ronell, New York: Schocken Books, 1985

10. Derrida, “Roundtable on Autobiography”, 79-80. Over het schrijven met de hand van een vrouw antwoordt Derrida dat de uitspraak niet uit Éperons zelf komt maar uit het debat dat erop volgde: “Well, yes, I would like to write, which is not to say that I will write, but that I would like to write in a woman’s hand.” En verder: “it will not be an autobiography, naturally, but a heterobiography in the sense in which one also says heterosexuality”; “let us say that she already writes when I write. What in the old terminology is called the addressee is here already in the process of writing in my place.”

11. Jacques Derrida, “Otobiographies: The Teaching of Nietzsche and the Politics of the Proper Name”, in The Ear of the Other, 33: “The ear is uncanny. Uncanny is what it is; double is what it can become; large or small is what it can make or let happen (as in laisser-faire, since the ear is the most tendered and most open organ, the one that, as Freud reminds us, the infant cannot close).”

12. Derrida, “Otobiographies”, 23-24 en 28-32, over de nationaalsocialistische toe-eigening van Nietzsches lezingen uit 1872. Derrida weigert het verweer dat Nietzsche zoiets nooit gewild zou hebben: “It would be just as peremptory and politically unaware as saying: Nietzsche never wanted that or thought that, he would have vomited it up” (28-29). Wat de verdraaiing mogelijk maakte, moet volgens hem worden gezocht “in the structure of the text ‘remaining’” (30). En: “The future of the Nietzsche text is not closed” (31). De opdracht om de handtekening te eren staat in de rondetafel, zie noot 9: “it is we who have to honor his signature by interpreting his message and his legacy politically” (51).

13. Derrida, “Otobiographies”, 35-37, over Nietzsche, Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten (1872). Nietzsche laat vragen hoe de student met de universiteit samenhangt; het antwoord is: “By the ear, as a listener.” De student hangt “an der Nabelschnur der Universität” op het moment dat hij meeschrijft (35). Het beeld van de hoogleraar: “One speaking mouth, with many ears, and half as many writing hands, there you have, to all appearances, the external academic apparatus: there you have the University culture machine (Bildungsmaschine) in action” (37). Nietzsche noemt acroamatisch de onderwijsvorm waarin de student zijn oren desgewenst kan sluiten, waarop Derrida aantekent: “Abstraction itself: the ear can close itself off and contact can be suspended” (36).

Reageren

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet getoond. Ik lees elke reactie voordat zij verschijnt.