Twee keer liep hij deze reeks al binnen zonder echt aan te schuiven. Het wordt tijd hem een eigen stoel te geven. Maurice Merleau-Ponty heeft iets te zeggen over wat hier steeds stilzwijgend meedeed: het lichaam waarmee wij luisteren. Ik zei het gisteren nog tegen Roger Burggraeve: het viel niet mee.
De tijd
De vrouw van mijn stervende buurman belde me. Hij was wat in de war, zei ze, en hij had naar mij gevraagd. Of ik naar hem toe wilde komen.
Ik wandelde naar hun huis, een paar deuren verderop. Het was er warm en druk. Zijn kinderen en kleinkinderen zaten in de woonkamer, waar werd gepraat en gespeeld. Af en toe kwam iemand bij hem kijken. Hij lag in bed.
Ik ging naast zijn bed zitten. Vrijwel meteen zei hij: “Mijn lichaam weet niet meer hoe laat het is.” Hij herhaalde de zin. “Mijn lichaam weet niet meer hoe laat het is.”
Ik vroeg: “Hoe laat denk jij dat het momenteel is?”
Hij keek voor zich uit. “Daar is het heel licht en zonnig.” Hij wees naar voren. “En hier is het al bijna donker.” Hij wees naar beneden.
Buiten viel de schemering. De klok in de kamer liep gewoon door. Zijn lichaam leefde ergens anders. Misschien in een ochtend vol licht. Misschien in een tijd waarin dag en nacht elkaar niet meer ordelijk opvolgden.
Ik ben die woorden niet vergeten. Misschien omdat hij zijn lichaam aansprak alsof het normaal gesproken zelf wel wist hoe laat het was. Alsof dat lichaam gewoonlijk wist wanneer het moe mocht worden en hoe het zich aan het licht van de dag moest voegen. Dat stille weten was in de war geraakt, en juist doordat het haperde, kwam het aan het woord.
Ik voelde mij heel nederig aan dat bed. Hier rondde een dierbare buurman zijn leven af, en hij liet mij toe in wat ik sindsdien zijn tussentijd ben gaan noemen: de tijd waarin de klok van de kamer en de tijd van het lichaam uit elkaar lopen. Wat ik daar wilde, was klein. Ik hoopte dat hij woorden kon geven aan zijn verwarring en zijn eigen verhaal kon blijven vertellen, zolang hij daar de adem voor had.
Voordat het denken begint
Ik ben mijn lichaam, en dat lichaam verstaat de wereld voordat mijn denken eraan te pas komt. Daar komt het bij Merleau-Ponty op neer. Wie een trap afloopt, laat het aan zijn voeten over. Wie een bekende in de verte herkent, heeft aan een silhouet en een manier van lopen genoeg. De waarneming is van meet af aan betekenis, en die betekenis woont in het lijf. (1)
Mijn lichaam wacht niet op mijn gedachten om zich tot de wereld te verhouden. Het wordt wakker bij het licht en vindt meestal vanzelf zijn ritme in de dag. Merleau-Ponty noemt dat het voorpersoonlijke: een lichamelijk leven dat ik geërfd heb, zoals ik ook een taal erf, en dat al bezig is voordat ik er bewust over nadenk. (1)
Tijd is bij hem geen reeks losse momenten die voorbijtrekken. Het heden sleept het vorige mee en leunt tegelijk al vooruit op wat komt. Zelfaandoening noemt hij dat. Eén zin is mij sinds die middag bijgebleven: het is wezenlijk voor de tijd, schrijft hij, dat zij zichzelf kent. Tijd verstrijkt niet alleen, wij leven dat verstrijken ook van binnenuit, en daar zit onze binnenkant. (2)
Mijn buurman zei iets wat Merleau-Ponty volgens mij meteen zou herkennen. Hij sprak over zijn lichaam, terwijl de tijd gewoon zijn werk bleef doen. Zijn lichaam vond het vertrouwde, dagelijkse ritme van licht en donker niet meer. En hij kon dat zelf ook nog benoemen. Het lichaam dat een arts onderzoekt is iets anders dan het lichaam waarmee wij vanzelfsprekend in de wereld leven, en dat laatste was mijn buurman aan het ontglippen.
Hij sprak over zijn lichaam alsof het iets naast hem was, iets dat de weg was kwijtgeraakt. Ik vroeg naar hem, en hij antwoordde met zijn hand, wijzend naar voren en naar beneden. In zijn woorden stond hij naast zijn lichaam. In zijn gebaar viel hij ermee samen.
Een lichaam dat hapert
Hier stokt het voor mij. Merleau-Ponty beschrijft meestal een lichaam dat zijn weg wel vindt, dat de trap kent voordat het de treden telt en het uur aanvoelt voordat de klok luidt. Mijn buurman had dat lichaam niet meer. Wat heeft deze filosofie hem dan nog te zeggen? Op die vraag heb ik geen sluitend antwoord.
Toch helpt hij nog steeds, denk ik, omdat hij veel heeft geleerd van wat er gebeurt wanneer iets niet meer vanzelf gaat. Hij schrijft bijvoorbeeld over iemand die een geamputeerde arm nog altijd voelt. Het lichaam blijft dan als het ware rekenen op een wereld waarin die arm er nog is, met deuren die geopend kunnen worden en gereedschap dat vastgepakt kan worden. Ook bespreekt hij de patiënt Schneider, die zonder nadenken de plek krabt waar een mug hem heeft gestoken, maar diezelfde plek op verzoek niet kan aanwijzen. Juist wanneer zo’n lichamelijk weten hapert, wordt zichtbaar hoeveel wij normaal gesproken aan ons lichaam overlaten. (3)
Wat er aan dat bed gebeurde, hoort wat mij betreft in dat rijtje thuis. Ook daar bleef een lichaam gericht op een wereld die het niet meer kon vasthouden. Zijn lichaam wist niet meer hoe laat het was. Merleau-Ponty geeft mij woorden om die tussentijd als ervaring te laten staan, zonder het terug te brengen tot verwarring of een bijzonder symptoom.
Het woord als gebaar
Ook spreken is bij Merleau-Ponty lichamelijk. Een woord is voor hem ook een gebaar. Betekenis zit in de klank en in wat het lichaam doet terwijl iemand spreekt. Tederheid kan zich al laten zien in een handbeweging. In zijn radiolezingen van 1948 beschrijft hij iemand die woedend tegen hem schreeuwt. Waar bevindt die woede zich dan, vraagt hij. Zijn antwoord: in de kamer, in de ruimte tussen die ander en hem. (4)
Over het gesprek schreef hij bladzijden die ik steeds opnieuw lees. In een dialoog, zegt Merleau-Ponty, ontstaat iets tussen twee mensen. Mijn gedachten raken aan die van de ander, en onderweg verandert er iets. Woorden komen voort uit wat er op dat moment tussen ons gebeurt, en geen van beiden bepaalt het gesprek alleen. Een volmaakte wederkerigheid noemt hij dat: we werken samen aan iets dat pas in het gesprek zelf ontstaat. (5)
Toen ik die bladzijden teruglas met de ontmoeting aan dat bed in gedachten, begon ik mij wel iets af te vragen. Aan dat bed ontstond nauwelijks een gesprek waarin we samen iets opbouwden. En toch was het een gesprek, en een van de gesprekken die ik nooit zal vergeten. Wat Merleau-Ponty beschrijft, lijkt vooral te gelden wanneer twee mensen allebei nog tijd hebben. Wat er gebeurt wanneer die tijd er aan één kant bijna niet meer is, staat er niet bij.
Een nek kan spreken. Grossman beschrijft de rij voor de Loebjanka, waar vrouwen aan de houding van de vrouw vóór hen konden zien wat zij vreesden of verwachtten. Ik kom daar in een later blog op terug. Bij Merleau-Ponty ligt betekenis in de houding zelf, dus zo’n nek zegt al iets voordat er woorden zijn.
Het verschil met Levinas begint bij de vraag wat dat spreken van mij vraagt.
De man Maurice
Merleau-Ponty werd in 1908 geboren in Rochefort-sur-Mer, aan de Atlantische kust. Zijn vader was beroepsofficier en stierf toen Maurice pas vijf jaar oud was. Daarna verhuisde het gezin naar Parijs. Sartre schreef ooit dat Merleau-Ponty hem ooit had verteld nooit helemaal losgekomen te zijn van zijn uitzonderlijk gelukkige jeugd. (7) Bij een filosoof die zoveel aandacht had voor wat al in ons leven aanwezig is voordat wij erover nadenken, vind ik dat een interessante zin. In 1952 werd hij benoemd tot hoogleraar filosofie aan het Collège de France. Dat bleef hij tot zijn dood. (8)
Foto van The International Merleau-Ponty Circle
Op 3 mei 1961 zat Merleau-Ponty aan zijn bureau te werken aan een college over Descartes. De Dioptrique lag voor hem open. Daar stierf hij, drieënvijftig jaar oud, aan een hartstilstand. (9) Le visible et l’invisible bleef onvoltooid.
Een maand later, op 6 juni, verdedigde Levinas aan de Sorbonne zijn proefschrift, dat kort daarvoor was verschenen als Totalité et infini. Merleau-Ponty was er dus net niet meer toen Levinas met het boek kwam dat hun verschil zo scherp zichtbaar zou maken. Ze hebben dat gesprek nooit meer met elkaar kunnen voeren.
Volmaakte wederkerigheid?
In zijn laatste, onvoltooide werk blijft Merleau-Ponty bezig met de vraag hoe wij met ons lichaam in de wereld zijn. Hij gebruikt daarvoor een heel simpel voorbeeld. Met mijn ene hand kan ik mijn andere hand aanraken. De ene hand voelt, de andere wordt gevoeld. Later kunnen die rollen omdraaien. Wij staan met ons lichaam midden in de wereld en zijn er voortdurend mee verbonden.
Hij noemt dat la chair. Letterlijk betekent dat ‘het vlees’, en dat vind ik in het Nederlands een ongelukkig woord, want hij bedoelt ermee het levende, voelende lichaam waarmee wij deel uitmaken van de wereld. Voor die verwevenheid gebruikt hij het woord chiasme: ik raak de wereld aan en word zelf ook geraakt. (6)
Wie deze reeks volgt, zal het niet verrassen. Hier komt Levinas met zijn vragen. Want als de Ander en ik zo sterk met elkaar verweven zijn, hoe blijft dan het verschil tussen ons dan bestaan? Voor Levinas is juist dat verschil van belang. De Ander blijft altijd iemand die mij voor een deel ontglipt.
Tegelijk staan Merleau-Ponty en Levinas dichter bij elkaar dan je misschien zou denken. Levinas schrijft later in twee essays met veel waardering over hem. (10) Beiden nemen het serieus, want er gebeurt al iets voordat ik bewust ga nadenken. Mijn lichaam reageert; ik word geraakt en pas daarna probeer ik te begrijpen wat er met mij gebeurt.
Neem bijvoorbeeld een handdruk. Merleau-Ponty ziet daarin hoe aanraken en aangeraakt worden in elkaar grijpen. Levinas hoort er nog iets anders in: een begroeting, een gebaar naar iemand toe. Daar begint voor hem de ethiek. De Ander is iemand tot wie ik mij richt en die mij op zijn beurt aanspreekt. (11)
Of Levinas Merleau-Ponty hier helemaal recht doet, weet ik niet. Merleau-Ponty is zelf voorzichtiger dan het soms klinkt. In Le visible et l’invisible schrijft hij dat die wederkerigheid nooit helemaal wordt bereikt. (12) Ik kan de hand van de ander aanraken, maar ik weet niet hoe mijn hand voor hem voelt.
Er blijft dus altijd iets tussen ons. Ik kan een hand vasthouden en er blijft ruimte tussen ons in, ruimte die niet dichtgaat. Écart noemt Merleau-Ponty dat, of déhiscence, een woord dat hij leent uit de plantkunde, waar het staat voor iets dat uit zichzelf openspringt. Hoe dicht wij ook bij elkaar komen, wij vallen niet samen.
Misschien zit daar ook het verschil met Levinas. Levinas wil nog sterker vasthouden aan wat zich aan die gedeelde wereld onttrekt. De Ander blijft iemand die ik nooit helemaal kan kennen of omvatten.
Maar er is nog iets wat ik aan dat bed heb geleerd. Mijn buurman had naar mij gevraagd. Dat kwam eerst. Voor ik iets wist of kon bedenken, was er iemand die mij riep en ik ging. Daar begrijp ik Levinas goed. De aanspraak kwam van mijn buurman. Ik had die situatie niet opgezocht en ook niet zelf bedacht.
Buiten werd het donker
Voor mijn Architectuur van Luisteren helpt Merleau-Ponty mij om nog beter te begrijpen wat er al gebeurt voordat ik bewust ga luisteren. Soms merkt mijn lichaam eerder iets op dan mijn denken. Een aarzeling bijvoorbeeld, of iemand die uit verbinding lijkt te raken. Maar mijn lichaam reageert ook zelf. Ik slik een vraag in of merk dat ik onrustig word omdat ik het niet eens ben met iemand. Daar begint voor mij het oordeelbewustzijn. Kan ik zien wat er in mij gebeurt en het daar ook even laten? Blijf ik bereikbaar voor wat de ander nog wil zeggen?
Aan dat bed bij mijn buurman hoefde ik daar weinig voor te doen. Ik ging zitten, dicht genoeg om hem te verstaan, en stelde één vraag. Daarna liet ik zijn woorden komen. Het was wat hij op dat moment meemaakte.
Ik ben maar kort gebleven. Buiten werd het donker. Mijn buurman lag in het licht van een ochtend die ik niet kon zien.
Hij is de volgende ochtend heel vroeg gestorven.
Noten
-
Maurice Merleau-Ponty, Phénoménologie de la perception, Parijs: Gallimard, 1945.
-
Phénoménologie de la perception, het hoofdstuk over de temporaliteit.
-
Phénoménologie de la perception, eerste deel, met de analyses van de fantoomarm en van Schneider, die Merleau-Ponty overnam van de neurologen Adhémar Gelb en Kurt Goldstein.
-
Maurice Merleau-Ponty, Causeries 1948 (Engelse vertaling: The World of Perception, Londen: Routledge, 2004).
-
Phénoménologie de la perception, het hoofdstuk over het lichaam als expressie en spraak.
-
Maurice Merleau-Ponty, Le visible et l’invisible, teksten bezorgd door Claude Lefort, Parijs: Gallimard, 1964. Het hoofdstuk heet “L’entrelacs, le chiasme”.
-
Jean-Paul Sartre, “Merleau-Ponty vivant”, Les Temps Modernes 184-185 (oktober 1961).
-
Eric Matthews, Merleau-Ponty: A Guide for the Perplexed, Londen: Continuum, 2006. In veel naslagwerken heet hij de jongste houder ooit van die leerstoel; ik heb daar geen primaire bron van gevonden. Zijn inaugurele rede verscheen als Éloge de la philosophie, Parijs: Gallimard, 1953.
-
De opengeslagen Dioptrique op zijn bureau rond zijn dood wordt in de literatuur en in de postume editie van Le visible et l’invisible genoemd.
-
Emmanuel Levinas, “De l’intersubjectivité. Notes sur Merleau-Ponty” en “De la sensibilité”, in Hors sujet, Montpellier: Fata Morgana, 1987.
-
Emmanuel Levinas, “De l’intersubjectivité. Notes sur Merleau-Ponty”, in Hors sujet, , Montpellier: Fata Morgana, 1987.
-
Le visible et l’invisible (zie noot 6), hoofdstuk “L’entrelacs, le chiasme”: “une réversibilité toujours imminente et jamais réalisée en fait”. Het beeld van de handdruk komt uit Levinas, “De l’intersubjectivité. Notes sur Merleau-Ponty”, in Hors sujet.
Laat een reactie achter