Me voici Hier ben ik

Een filosofische reis naar de Ander

Bekeken of aangesproken

Bekeken of aangesproken

Sartre, De Beauvoir en de blik van de ander

Deel 20 van 24 6 augustus 2026 12 min lezen Oordeelbewustzijn

Voor het eerst in deze reeks schuiven er twee gasten tegelijk aan, en wat voor gasten. Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir trouwden niet, woonden nooit samen en noemden hun verbond een pact: hun liefde was noodzakelijk, andere liefdes mochten er zijn, en ze zouden elkaar alles vertellen. Ruim vijftig jaar hielden ze dat vol, tot Sartres dood in 1980. Ze liggen samen begraven op Montparnasse, onder één steen. (1)

Over dit paar is eindeloos geschreven, bewonderend maar ook verontwaardigd. Mij interesseert iets heel anders. Ze dachten allebei, ieder op hun eigen wijze, over precies de vraag die deze reeks draagt: wat gebeurt er wanneer een ander mij aankijkt? En allebei kruisten ze het pad van Levinas, de een als lezer van het eerste uur, de Ander als zijn scherpste vroege criticus.

Het pact

Ze leerden elkaar kennen in 1929, toen ze zich voorbereidden op de agrégation, het Franse staatsexamen filosofie. Sartre werd eerste, De Beauvoir tweede. Zij was eenentwintig en de jongste die het examen ooit had gehaald. Juryleden hebben later verteld dat er lang geaarzeld is over de eerste plaats. In de groep rond Sartre lachten ze haar uit omdat ze haar studie zo serieus nam. Dat deed ze ook. Voor die jongens sprak studeren vanzelf, voor haar betekende het vrijheid. Sartre ging haar zien als de gesprekspartner met wie hij al zijn ideeën besprak, en als eerste lezer van alles wat hij schreef. (2)

Sartre en De Beauvoir, Rex Features in The Independent

Trouwen hebben ze overwogen, al wilde geen van beiden een burgerlijk huwelijk of kinderen. Op een avond zaten ze op een stenen bankje in de Tuilerieën. Achter een balustrade miauwde een kat in een kooiachtige ruimte, te groot om er nog uit te komen. Een vrouw voerde het dier stukjes vlees en aaide het zacht. Op dat moment stelde Sartre voor een contract te sluiten voor twee jaar. Een kooi, een paar toegeworpen stukjes, en daarnaast een verbond dat over vrijheid zou gaan. Sarah Bakewell vraagt zich af of De Beauvoir die herinnering later heeft aangevuld met symbolische details. Ik houd die vraag liever open. (3)

Ze overleefden die twee jaar. Ze zouden elkaar alles vertellen over hun andere relaties, en hun eigen verhouding moest de belangrijkste blijven, noodzakelijk in hun taal, terwijl de andere contingent zouden zijn. Aan het eerste hielden ze zich maar ten dele. De prijs was hoog, vooral voor de derden die erin verzeild raakten. (4)

De Beauvoir liep graag en veel. Sartre moest worden overgehaald om mee te gaan. In Het zijn en het niet staat een beschrijving van een klim met een metgezel die niet bij naam wordt genoemd. Hij ervaart de inspanning als een last die hem zijn vrijheid ontneemt, laat zijn knapzak vallen en zakt langs de kant van de weg neer. Zij is even moe en vindt het een verrukking om door te lopen, met de zon in haar nek, terwijl het pad bij elke stap een nieuw gezicht laat zien. Twee mensen op dezelfde weg, en het landschap laat zich aan ieder van hen anders zien. Daar begint de moeilijkheid van luisteren: dezelfde weg voelt voor de ander niet zoals voor mij. (5)

De blik

Hun filosofie speelde zich af op vaste plekken. Wie in de jaren veertig door Saint-Germain-des-Prés liep, kon ze zien zitten in Café de Flore, elke dag urenlang schrijvend aan de tafeltjes. Tijdens de bezetting werkte De Beauvoir er ook omdat het er warm was. Hotelkamers werden niet verwarmd, en een vaste woning had geen van beiden. (6)

Hoe Sartre bij de fenomenologie terechtkwam, is vaak verteld. Begin jaren dertig zat hij met Raymond Aron in een bar aan de abrikozencocktails. Aron was net terug uit Berlijn en zei: als jij fenomenoloog bent, kun je over deze cocktail spreken, en het is filosofie. Sartre werd bleek van opwinding, liep naar een boekhandel en kocht het proefschrift van een zekere Emmanuel Levinas over Husserl. De bladzijden sneed hij lezend open, op straat. (7) Zo kwam de fenomenologie Frankrijk binnen, via Levinas, in de handen van Sartre.

Wat hij ermee bouwde staat in Het zijn en het niet uit 1943. Het bekendste hoofdstuk gaat over de blik, le regard. Ik zit op een bank in het park en kijk, en de wereld ordent zich om mij heen. Dan merk ik dat iemand naar mij kijkt, en alles verandert. Ik word een voorwerp in de wereld van een ander, ik zie mijzelf van buiten, en ik schaam mij. In zijn toneelstuk Huis clos staat de zin die daarvan is overgebleven: de hel, dat zijn de anderen. (8)

Het is dezelfde scène als bij Levinas. Een mens wordt aangekeken en is niet meer alleen op de wereld. De betekenis loopt alleen de andere kant op. Bij Sartre maakt de blik mij tot object en begint het gevecht, mijn vrijheid komt onder druk te staan. Zo verhouden bewustzijnen zich bij hem nu eenmaal tot elkaar. Het is geen gewoonte die je kunt afleren.

Bij Levinas gebeurt het omgekeerde. Het gelaat, zoals we het in de eerdere delen zijn tegengekomen, spreekt mij aan, en daar begint de verantwoordelijkheid. Mijn vrijheid krijgt er een richting, omdat er iemand is voor wie ik kan instaan. (9)

In de kring om Sartre en De Beauvoir is de eerste lezing terug te zien. Camus brak in 1952 met Sartre, na een vernietigende bespreking van De mens in opstand in Les Temps Modernes; daarover ging het deel over De val. Merleau-Ponty, studievriend van De Beauvoir en medeoprichter van datzelfde tijdschrift, kon Sartres toenadering tot de communisten niet volgen en verliet in 1953 de redactie. Ook Aron, de man van de abrikozencocktail, werd na de oorlog zijn politieke tegenstander. Pas in 1979 stonden ze weer naast elkaar, toen ze samen aandacht vroegen voor de Vietnamese bootvluchtelingen. Er waren meer breuken dan verzoeningen, en alleen het pact in het midden hield stand. (10)

Voor het luisteren maakt dat verschil veel uit. Wie zich bekeken voelt gaat zich verdedigen, wie zich aangesproken voelt kan antwoorden, en in gesprekken gebeurt allebei, soms binnen één minuut. Mijn blik kan iemand tot casus maken. Mijn aandacht kan iemand tot spreken brengen.

Ik weet niets, niets

Dan De Beauvoir. In haar studententijd discussieerde ze veel met Maurice Merleau-Ponty, wandelend in de tuinen van de École normale supérieure en later in de Jardin du Luxembourg. Ze was bij het examen boven hem geëindigd en nam tegenover hem toch vanzelf de rol van filosofische beginnelinge aan. Meestal won ze de debatten, en zonder veel moeite. Toch verliet ze het strijdperk vaak met de uitroep: “Ik weet niets, niets. Ik heb niet alleen geen antwoord, maar ik heb niet eens een bevredigende manier gevonden om vragen te stellen.” (10)

Het is een merkwaardige manier om te winnen, en toch lijkt het mij wel de juiste. Wie een gesprek wint en daarna tevreden is, heeft vooral zijn eigen posities bevestigd gekregen. Zij bleef zitten met de vraag of ze wel goed had gevraagd. Sartre vatte dat vermogen tot verbazing later samen als het moment waarop de vraag de vragensteller verandert. Hij bewonderde het en wantrouwde het tegelijk; hij noemde het de meest authentieke vorm van filosofie en ook een vorm van filosofische armoede. (11)

Ik neig naar de eerste helft van zijn oordeel. Een vraag die de vragensteller ongemoeid laat, was meestal een mededeling in vermomming. Oordeelbewust luisteren vraagt de bereidheid om even niet te weten wat je denkt, ook wanneer je gelijk had.

De ander die vrouw werd genoemd

Ook De tweede sekse begon met een gesprek. Toen zij kort na de oorlog over zichzelf wilde schrijven, vroeg Sartre haar wat het voor haar had betekend om als meisje op te groeien. Weinig, dacht ze eerst. Al zoekend ontdekte ze het tegendeel. In 1949 verscheen het boek, met de zin die is blijven hangen: je wordt niet als vrouw geboren, je wordt het gemaakt. Haar analyse draait om een begrip dat in deze reeks al vaker voorbijkwam. De vrouw is in onze cultuur altijd de Ander geweest, gedefinieerd vanuit de man, die zichzelf als het vanzelfsprekende middelpunt neemt. (12)

Op de eerste bladzijden staat een voetnoot waarin zij Levinas aanvalt. In Le temps et l’autre had hij het vrouwelijke beschreven als de andersheid bij uitstek, in haar absolute vorm, bedoeld als eerbetoon aan een andersheid die zich niet laat inlijven. De Beauvoir las het anders. Wie het vrouwelijke tot mysterie en tot het Andere verklaart, schrijft zij, doet dat vanuit het gezichtspunt van de man, en vergeet dat ook de vrouw voor zichzelf een bewustzijn is. Wat zich voordoet als objectieve beschrijving bevestigt in werkelijkheid een mannelijk voorrecht. (13)

Het is vermoedelijk de vroegste feministische kritiek op Levinas, geschreven in een tijd waarin bijna niemand hem las. Hij heeft er, voor zover ik weet, nooit rechtstreeks op geantwoord. Latere denkers hebben de vraag opnieuw gesteld, Luce Irigaray voorop: krijgt het vrouwelijke bij Levinas een ereplaats, of wordt het daarmee buiten de deur gezet? (14) Ik laat het open. Wat mij wel opvalt, is hoe Levinasiaans haar verwijt eigenlijk is. Zij vraagt of wie van de ander een mysterie maakt, wel echt naar die ander heeft geluisterd, of vooral naar zichzelf.

Dat zij zo scherp naar de blik van de man kon kijken, had ook met haarzelf te maken. In de verhoudingen die het pact met zich meebracht, ging ze in de jaren dertig vooral uit van haar eigen perspectief; achteraf noemde ze dat solipsistisch. Die vergissing werd een bouwsteen voor haar ethiek. Ze ging liefde onderscheiden van wat ze idolatrie noemde, het van de ander een idool maken in plaats van een vrij mens met eigen ervaringen en banden. Dat gevaar kent het luisteren ook. Ik vul de ander in naar wat ik in de persoon zoek, en raak zo de vrije mens kwijt die tegenover mij zit.

Ze bracht het ook in de praktijk. In de Bibliothèque Nationale liggen ongeveer twintigduizend brieven van lezers aan haar, vrijwel allemaal van vrouwen die schreven over hun eenzaamheid, of opgelucht ontdekten dat ze niet vreemd waren omdat ze ontevreden waren over hun bestaan. Vanaf de jaren vijftig hield De Beauvoir elke dag een uur vrij om te antwoorden. (15)

De verhoudingen wisselden, het werk bleef. In een documentaire voor de Canadese televisie uit 1967 zie je hen aan twee bureaus zitten, naast elkaar, stevig rokend, met als enige geluid het krassen van pennen. Zij schrijft, hij leest een manuscript. (16) Sartre stierf in april 1980, De Beauvoir zes jaar later, bijna op de dag af.

Foto: eigen materiaal

Ik moet hier denken aan een vrouw van tweeënnegentig die eerder in deze reeks voorkwam, in het deel over Simone Weil. Ik was bij haar op bezoek en bleef zitten, en ergens in dat gesprek zei ze dat ze naar de hel zou gaan omdat ze van twee mannen had gehouden. Ze had zichzelf een leven lang bekeken met de blik van een rechter, tot ze wat er in haar leefde was gaan dragen als schuld. De blik hoefde er niet meer te zijn, ze had hem overgenomen. En de norm die haar veroordeelde had ze nooit zelf gekozen; ze had geleerd haar eigen liefde te wantrouwen namens een orde die bepaalde wat een vrouw mocht voelen. Wie heeft deze vrouw tot schuldige gemaakt, en luisterde ik naar haar of naar het oordeel?

Waarom ze haar geheim juist toen deelde, weet ik niet. Misschien omdat ze wist dat ze mij nooit meer zou zien, misschien omdat ze het één keer hardop moest zeggen. Zeker is alleen dat ze het zei, tegen iemand die was komen zitten.

Noten

  1. Simone de Beauvoir, La force de l’âge, Parijs: Gallimard, 1960; Kate Kirkpatrick, Becoming Beauvoir: A Life, Londen: Bloomsbury, 2019; Annie Cohen-Solal, Sartre 1905-1980, Parijs: Gallimard, 1985.

  2. Kirkpatrick, Becoming Beauvoir; Sarah Bakewell, At the Existentialist Café, Londen: Chatto & Windus, 2016, hoofdstuk “Bijten in amandelbomen” in de Nederlandse editie. De aarzeling van de jury is bekend uit latere uitspraken van juryleden, niet uit de officiële rapporten.

  3. De scène in de Tuilerieën staat in De Beauvoirs memoires; Bakewell citeert haar en stelt zelf de vraag of de herinnering is opgesierd.

  4. Bakewell, De Existentialisten, hetzelfde hoofdstuk. Voor de schaduwzijden: Simone de Beauvoir, Lettres à Sartre, Parijs: Gallimard, 1990; Bianca Lamblin, Mémoires d’une jeune fille dérangée, Parijs: Balland, 1993.

  5. Bakewell, De Existentialisten, hetzelfde hoofdstuk. De klimscène staat in Jean-Paul Sartre, L’être et le néant, Parijs: Gallimard, 1943.

  6. De Beauvoir, La force de l’âge; Cohen-Solal, Sartre 1905-1980.

  7. De Beauvoir, La force de l’âge; Bakewell, At the Existentialist Café, hoofdstuk 1. Het ging om Théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl (1930) van Levinas, niet het enige Franstalige werk over Husserl, wel het boek dat Sartre toen in handen kreeg.

  8. Sartre, L’être et le néant, deel III; Huis clos, opgevoerd in 1944. Sartre heeft er later op gewezen dat de beroemde zin vaak te absoluut wordt gelezen: de anderen zijn de hel wanneer de verhouding tot hen bedorven is.

  9. Emmanuel Levinas, Totalité et Infini. Essai sur l’extériorité, Den Haag: Nijhoff, 1961, deel III, “Le visage et l’extériorité”; Ethique et infini. Dialogues avec Philippe Nemo, Parijs: Fayard, 1982, hoofdstuk “Le visage”, waar Levinas zelf uitlegt dat het gelaat zich juist onttrekt aan wat ik ervan waarneem.

  10. Bakewell, De Existentialisten,hoofdstuk “Bijten in amandelbomen”, ontleend aan De Beauvoirs memoires, waarin Merleau-Ponty het pseudoniem Pradelle draagt.

  11. Bakewell, De Existentialisten, over De Beauvoirs vermogen tot verbazing en Sartres dubbele oordeel daarover.

  12. Simone de Beauvoir, Le deuxième sexe, Parijs: Gallimard, 1949; over de ontstaansgeschiedenis La force des choses, Parijs: Gallimard, 1963.

  13. Le deuxième sexe, inleiding, voetnoot over Le temps et l’autre van Levinas.

  14. Luce Irigaray, “Fécondité de la caresse”, in Éthique de la différence sexuelle, Parijs: Minuit, 1984; Tina Chanter (red.), Feminist Interpretations of Emmanuel Levinas, University Park: Penn State University Press, 2001.

  15. Kate Kirkpatrick, Simone de Beauvoir. Een leven, Utrecht: Ten Have, 2021; Judith G. Coffin, Sex, Love, and Letters: Writing Simone de Beauvoir, Ithaca: Cornell University Press, 2020.

  16. Bakewell, De Existentialisten, hoofdstuk “Bijten in amandelbomen”. Sartre stierf op 15 april 1980, De Beauvoir op 14 april 1986.

Reageren

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet getoond. Ik lees elke reactie voordat zij verschijnt.