In het vorige deel bleek dat verantwoordelijkheid niet bij één Ander kan blijven. Met le tiers, de derde, verschijnt een wereld waarin meerdere anderen tegelijk aanspraak maken. Dan komt ook de vraag naar vergelijking, afweging en rechtvaardigheid op. Maar die beweging begint niet pas bij het sociale of institutionele. Zij wordt mogelijk gemaakt door iets dat eraan voorafgaat: het moment waarop de Ander mij aanspreekt, vóór elke afweging en vóór elke ordening. Dat moment noemt Levinas le visage, het gelaat.
Jacques Derrida heeft later laten zien dat de overgang van het gelaat naar rechtvaardigheid een blijvende spanning met zich meebrengt. Daarop kom ik in een later deel terug. Hier gaat het eerst om de vraag wat zich voltrekt in dat oorspronkelijke moment van aanspraak.
Le visage vormt het hart van Levinas’ filosofie. Het staat centraal in Totalité et Infini (1961) en keert in steeds andere gedaanten terug in zijn latere werk. Wat hier volgt is een eerste verkenning. In de volgende delen zal ik vanuit verschillende invalshoeken naar dit motief terugkeren.
Een ontmoeting op straat
In Breda, op een gewone doordeweekse ochtend, zie ik een oudere man midden op straat staan. Hij staat stil terwijl alles om hem heen beweegt. Gedesoriënteerd, zoekend, zonder richting.
Ik draai mij naar hem toe en steek over. Ik vraag: kan ik iets voor u doen? Hij zegt dat hij de weg kwijt is. We lopen samen naar de stoeprand. Daar vraag ik opnieuw: wat kan ik nu voor u doen? Hij zegt dat hij alleen wil weten welke kant hij op moet. Meelopen is niet nodig.
Ik wijs de richting aan. Ik wacht even, kijk hoe hij wegloopt en ga daarna verder.
Achteraf denk ik: er is bijna niets gebeurd. Een korte onderbreking in mijn dag. En toch bleef er iets achter. Die man stond midden op straat en keek om zich heen. Zijn blik zocht iets. Nog vóór ik een besluit had genomen, had ik mij al naar hem toe bewogen.
In zulke momenten krijgt Levinas’ begrip van het gelaat reliëf. Daarmee verschuift ook de vraag die vanaf het begin door deze reeks heen loopt opnieuw van vorm: wat gebeurt er met het ik wanneer zijn vanzelfsprekende voorrang wordt onderbroken door de aanspraak van de Ander?
Käthe Kollwitz, Self-Portrait en face, 1923
Het gelaat en het verschijnen van de Ander
Wanneer ik in het dagelijks taalgebruik over een gezicht spreek, bedoel ik meestal iets zichtbaars: de kleur van iemands ogen, een bepaalde uitdrukking, iets dat verraadt wat er van binnen gaande is. Ik kijk, ik beoordeel, ik vorm mij een beeld.
In die beweging van zien naar beoordelen en begrijpen is de Ander al opgenomen in mijn eigen kaders. De levende mens wordt dan herleid tot iets wat ik kan waarnemen en duiden, tot onderdeel van mijn wereld. Dat is wat Levinas le Même, het Zelfde, noemt: het geheel van alles wat ik kan bevatten, benoemen en beheersen. Jan C.M. Engelen beschrijft die geslotenheid van het ik scherp als een bestaan dat leeft in een wereld die het als de zijne ervaart, als een geheel waarin het zijn plaats kent. (1) Juist tegen die achtergrond kan de Ander verschijnen als werkelijk Ander.
Het gelaat staat niet naast de andere dingen die ik waarneem, maar doorbreekt juist die bestaande orde. Het gaat om de Ander die niet opgaat in een sociale rol, functie of masker. Roger Burggraeve wijst in dit verband op een belangrijk onderscheid in Levinas’ taalgebruik. Levinas spreekt in het Frans zowel over le visage als over le face-à-face (aanschijn-tot-aanschijn). Uit gesprekken met Levinas leidt Burggraeve af dat face-à-face een nauwkeuriger weergave is van het Hebreeuwse panim dan alleen het woord visage.
Panim is in het Hebreeuws een meervoudsvorm zonder enkelvoud. Die grammaticale eigenschap is voor Levinas niet toevallig: het meervoud suggereert veelzijdigheid en dynamiek, iets wat zich niet laat vangen in een statisch object of een enkelvoudig gezicht. Wanneer ik naar mezelf kijk of in de spiegel, zie ik slechts een verschijning, een fysiek gelaat. Pas in de ontmoeting, in het face-à-face waarbij de Ander mij aanziet, aanspreekt of zich in stilte naar mij toewendt, wordt die verschijning tot een ethisch gelaat. Het gelaat is dus geen eigenschap van de Ander, maar ontstaat alleen in de verhouding zelf, in het tegenover.
Burggraeve benadrukt daarom dat het gelaat bij Levinas niet samenvalt met iemands fysieke uiterlijk of gezichtsuitdrukking. Het verwijst juist naar datgene in de Ander wat zich onttrekt aan elk beeld, elke diagnose en elke definitie. Het is de roep die de geslotenheid van mijn eigen wereld doorbreekt.
Levinas schrijft in Totalité et Infini dat het gelaat zich niet via eigenschappen manifesteert, maar zich uitdrukt: Il s’exprime. Even verderop zegt hij: Le visage me parle. Het gelaat verschijnt dus niet in de eerste plaats als object van mijn waarneming, maar als aanspreking. De ontmoeting met de Ander is bij Levinas geen kwestie van begrijpen, maar van aangesproken worden. Wat ik in het gelaat ontmoet, is geen ding dat ik kan vastleggen, maar een verschijnen dat zich tegelijk aan mijn greep onttrekt. Roger Burggraeve spreekt hier van het ‘gerimpelde’ gelaat: een terugtrekking uit de verschijningsvorm. De Ander valt niet samen met wat van hem zichtbaar is. Het gelaat is juist datgene wat in het gezicht van de Ander aan mijn blik ontsnapt. (6) Daarin ligt voor Levinas de beslissende verschuiving: de Ander verschijnt niet eerst binnen mijn wereld als iemand die ik begrijp, maar als iemand door wie mijn vanzelfsprekende positie als begrijpend subject wordt onderbroken.
Het weerloze gelaat
Het ik, zoals ik dat in de eerdere delen beschreef, beheert zijn wereld. Alles heeft een functie, alles is hanteerbaar. De Ander verschijnt aanvankelijk ook zo: als iemand in mijn wereld, bruikbaar, beschikbaar. Tot er iets anders gebeurt.
Duyndam en Poorthuis beschrijven in hun inleiding op Levinas hoe de weerstand die de Ander biedt juist bestaat in zijn volstrekte zwakte. (3) Zijn weerstand ligt in zijn kwetsbaarheid. Hij kan pijn hebben. Hij kan lijden. En exact daarin, in die naaktheid, ligt iets wat mij bereikt en waarvoor ik geen neutraliteit kan opbrengen.
Ook Engelen wijst op dit beslissende punt. Wanneer de Ander verschijnt, blijkt er op de plaats waar hij verschijnt weerstand te zijn. Die weerstand bestaat in zijn kwetsbaarheid, in het feit dat hij pijn kan lijden. (4) Daarmee sluit Engelen nauw aan bij Levinas’ eigen radicaliteit: het is de weerloosheid van de Ander die mij ontregelt.
Dat is het naakte karakter van het gelaat. Het laat zich niet in een vaste vorm fixeren. De man op de stoeprand in Breda had een gezicht, een leeftijd, een manier van staan. Maar wat mij aantrok was iets anders: zijn weerloosheid, zijn zoeken. Iets wat zich aan beschrijving onttrekt en toch onmiskenbaar aanwezig is.
Burggraeve maakt scherp dat het gelaat ethisch betekenisvol wordt juist waar het niet opgaat in wat ik van iemand zie, weet of diagnosticeer. In die onherleidbaarheid tonen zich tegelijk kwetsbaarheid en gezag. (2)
Hoogte en armoede
Het gelaat verschijnt bij Levinas in twee ogenschijnlijk tegengestelde gestalten, en beide zijn tegelijk aanwezig.
Enerzijds treedt het op vanuit la hauteur, de hoogte: het gelaat spreekt tot mij als een instantie die mij ter verantwoording roept, die mij uit mijn zelfgenoegzaamheid haalt, die een gebod laat klinken. Levinas radicaliseert dat appèl in de formulering tu ne commettras pas de meurtre, gij zult geen moord plegen. Niet als uitgesproken zin, maar als het morele bevel dat in de verschijning van de Ander meeklinkt.
Anderzijds toont het gelaat zich in la misère, armoede of behoeftigheid: de Ander als vreemdeling, als weduwe en wees, om de bijbelse beelden te gebruiken die Levinas zelf aanhaalt. De kwetsbare die een beroep doet op mijn goedheid. De oudere man die de weg kwijt is.
Die twee zijn bij Levinas niet van elkaar los te maken. Het gelaat verschijnt tegelijk in armoede en in hoogte: weerloos en behoeftig, en juist daarin niet beschikbaar voor mijn macht. Het appèl dat van de Ander uitgaat, ontleent zijn gezag aan die kwetsbaarheid zelf. Zo haalt het mij uit mijn gesloten wereld.
Het gebod ‘gij zult niet doden’ moet hier ruim worden verstaan. In levinaanse zin kan doden ook betekenen: negeren, reduceren, onzichtbaar maken. De Ander doden is hem inpassen in mijn kaders, hem behandelen als onderdeel van mijn wereld, hem niet laten bestaan in zijn eigenheid. In spreekkamers van ziekenhuizen, in asielprocedures en in bestuurlijke systemen dreigt het gelaat steeds opnieuw achter abstracties te verdwijnen.
Burggraeve laat dat zien wanneer hij schrijft dat het gelaat niet alleen geweld verbiedt in letterlijke zin, maar ook de reductie van de Ander tot beeld, type of functie. Het verbod op doden is dan tegelijk een verbod op toe-eigening. (2)
Le frémissement, de huivering
Roger Burggraeve beschrijft de ontmoeting met het gelaat als een huivering: een kort, ontregelend oponthoud waarin kennis, routines en oordelen hun vanzelfsprekendheid verliezen. In die hapering klinkt een appèl dat zich niet eenvoudig laat wegredeneren. (2)
Ik kan het onderdrukken. Ik kan het negeren. Ik kan doorlopen. Maar niet doen alsof er niets is gebeurd. De verantwoordelijkheid is er al vóórdat ik heb beslist wat ik ermee doe.
Albert Camus heeft die weerstaanbaarheid indringend verbeeld in De val. Jean-Baptiste Clamence hoort op een avond een lichaam dat het water raakt, en even later een kreet die meermaals klinkt voordat hij wegsterft in de rivier. Hij loopt door. Het appèl bereikt hem, maar hij antwoordt niet.(5) Juist daarin wordt zichtbaar dat verantwoordelijkheid niet pas begint bij morele reflectie, maar in het moment waarop antwoord mogelijk is.
Dat is nou juist het punt. Het appèl van het gelaat is weerstaanbaar. De vrijheid om de roep te negeren is reëel. En juist omdat die vrijheid bestaat, heeft het antwoord gewicht.
De huivering is dan ook niet het begin van verantwoordelijkheid, maar het moment waarop een verantwoordelijkheid die mij al voorafgaat om antwoord vraagt. Daar krijgt ethiek haar concrete vorm.
Wat het gelaat zichtbaar maakt
Levinas’ antwoord luidt: in het moment van aanspraak verschuift de orde van het denken. Daarmee wordt ook duidelijker wat er in deze reeks op het spel staat. Het is niet langer vanzelfsprekend dat het ik voorrang heeft als degene die waarneemt, begrijpt en beoordeelt. Begrijpen blijft belangrijk, maar het komt niet meer als eerste. Eerst is er de aanspraak. Daarna volgt pas het werk van verstaan, wegen, antwoorden en recht doen.
Dat heeft consequenties voor alles wat ik vervolgens denk en doe. Want het gelaat doorbreekt iets wat diep in het westerse denken is ingebed. In deel zeven onderzoek ik wat Levinas le Même, het Zelfde, noemt en waarom het gelaat juist die orde doorbreekt.
Noten
(1) Engelen, J.C.M., Het gelaat, jij die mij aanziet. Een eerste inleiding in de filosofie van Emmanuel Levinas, Damon, Best, 1985, p. 16.
(2) Burggraeve, R., Geen toekomst zonder kleine goedheid. Naar een genereus samenleven in verantwoordelijkheid vanuit Emmanuel Levinas, De Vrije Uitgevers, 2020.
(3) Duyndam, J. & Poorthuis, M., Levinas, Lannoo/Ten Have, Baarn, 2003.
(4) Engelen, J.C.M., Het gelaat, jij die mij aanziet. Een eerste inleiding in de filosofie van Emmanuel Levinas, Damon, Best, 1985, p. 22.
(5) Camus, A., De Val, vert. Johan van Manen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2019.
(6) Burggraeve, R., Van zien naar luisteren. Pro manuscripto, KU Leuven, 21 oktober 2025.
Laat een reactie achter