Me voici Hier ben ik

Een filosofische reis naar de Ander

Alles op de liefde

Alles op de liefde

Simone Weil en Levinas, een mismoeting?

Deel 19 van 24 30 juli 2026 14 min lezen Herstelbaarheid

In de week voor Pasen in 1938 zit de Franse filosoof Simone Weil in de abdijkerk van Solesmes. Ze is negenentwintig jaar en geeft les op een meisjesschool in de provincie. Ze heeft vreselijke hoofdpijn, een kwaal die haar al sinds haar studententijd bijna dagelijks kwelt. Elke klank van de kerkgezangen komt binnen als een harde klap. En toch blijft ze zitten, dienst na dienst. Juist in die dagen ontdekt ze iets groots: dat het mogelijk is om lief te hebben, dwars door de diepste ellende heen.

Van alle denkers in deze reeks kiest zij het meest radicaal voor de liefde. Die hoofdpijn raakt ze nooit meer kwijt, en die brengt haar regelmatig tot wanhoop. Ze kiest er zelf voor om het loodzware leven van fabrieksarbeiders te delen en sterft uiteindelijk op haar vierendertigste, volkomen uitgeput en ziek. En toch bleef ze tot haar laatste adem geloven dat deze wereld het waard is om van te houden, zonder mooi weer te spelen en zonder valse hoop.

Hoe houd je dat in hemelsnaam vol? Dat is wat ik hier probeer te begrijpen. Bij Weil loopt die weg via haar aandacht. En dus via het luisteren.

Fabrieken

Simone Weil groeit op in een seculier joods gezin in Parijs. Ze is geboren in 1909. Haar broer André wordt later een wereldberoemde wiskundige, maar Simone doet qua verstand niet voor hem onder. Ze studeert filosofie en begint als lerares op scholen in de provincie. Maar ze is niet gemaakt voor een rustig burgerleven; ze geeft bijna al haar geld direct weg aan mensen die het harder nodig hebben.

In 1934 neemt ze een besluit dat haar leven op zijn kop zet. Ze wil niet langer toekijken, ze wil zelf voelen hoe het is om onderdrukt te worden. Fysiek is ze onhandig en zwak, maar ze gaat toch een jaar lang in fabrieken werken, eerst bij Alsthom en later aan de lopende band bij Renault. De vermoeidheid en de constante angst voor de tikkende klok breken haar. Later schrijft ze dat ze in die fabriekshallen voorgoed is gebrandmerkt. Ze voelt zich sindsdien een slaaf.

Haar rechtvaardigheidsgevoel brengt haar in 1936 naar Spanje, waar ze zich aansluit bij een anarchistische groep om te vechten tegen het fascisme. Veel kan ze niet doen: in de veldkeuken stapt ze in een pan kokende olie waardoor ze zwaargewond moet terugkeren. Twee jaar later, tijdens de paasgezangen in de abdij van Solesmes, ervaart ze een spirituele ommekeer die haar denken voorgoed zal kleuren.

Als de oorlog uitbreekt, vlucht ze met haar ouders naar New York. Maar ze kan er niet aarden. Veilig zijn voelt voor haar als verraad aan de mensen in het bezette Frankrijk. Eind 1942 reist ze naar Londen om voor het Franse verzet te werken. In een paar hectische maanden schrijft ze daar haar belangrijkste boek: L’Enracinement (De Worteling).

Ze eist ook daar het uiterste van zichzelf. Uit solidariteit weigert ze om meer te eten dan wat haar landgenoten in bezet gebied op hun bonnen krijgen. Haar verzwakte lichaam stort in. In het voorjaar van 1943 krijgt ze tuberculose, en op 24 augustus sterft ze in een Engels sanatorium. Ze is dan pas vierendertig.

Foto van Nicolas Martinez in sceneweb.fr van Simone Weil

Aandacht

Haar hele denken draait om één woord: aandacht, attention. In een klein opstel over hoe je moet studeren, schrijft ze daar iets over wat ik nergens anders zo helder heb gelezen. Echte aandacht is volgens Weil dat je je eigen gedachten even stil kunt zetten. Je maakt je hoofd leeg en wacht af. Je bent beschikbaar voor wat er komt, zonder dat je er meteen een stempel op drukt. Al je kennis en ervaring blijven wel op de achtergrond aanwezig, stand-by voor als je ze nodig hebt, maar ze bepalen niet vooraf wat je ziet. Dit is wat ik oordeelbewust luisteren noem: je eerste gedachte mag er zijn, zolang die maar niet beslist over wat je hoort.

Iets verderop in dat essay staat de zin waarom ik haar zo graag lees als het over luisteren gaat. De kern van de naastenliefde, schrijft Weil, is simpelweg dat je de ander kunt vragen: quel est ton tourment, wat is jouw kwelling? Die vraag stellen is niet makkelijk. Want wie dat echt vraagt, ziet de ander als een mens met een heel eigen, uniek verdriet.

In het voorjaar van 1942 schreef ze aan de dichter Joë Bousquet, die door een oorlogsverwonding verlamd was geraakt: l’attention est la forme la plus rare et la plus pure de la générosité. Aandacht is de zeldzaamste en meest zuivere vorm van vrijgevigheid.

Aandacht is bij Weil vooral wachten. Wat echt kostbaar is, kun je niet afdwingen of actief gaan zoeken. Je kunt er alleen maar op wachten. Hier raakt ze aan Levinas, al lopen ze vanuit een andere kant naar elkaar toe. Bij Levinas komt de Ander ongevraagd je leven binnen en schudt je wakker; die aanspraak is er al voordat je er erg in hebt. Bij Weil begint het juist van binnenuit: je maakt jezelf leeg. Zij noemde dat décréation, het ontscheppen van je eigen ‘ik’. Waar zij dacht aan God en de wereld, lees ik het vooral als het maken van ruimte. Een lege, veilige plek waar de ander binnen durft te stappen.

Malheur

Weil heeft een eigen woord voor het diepe lijden dat haar bezighoudt: malheur. We vertalen dat meestal met ellende of ongeluk, maar het is veel erger dan gewone pijn of verdriet. Malheur vreet zich door een heel leven heen, fysiek en sociaal. Het ontwortelt je, wist je naam uit en pakt je je stem af.

En het heeft iets wreeds: dit diepe ongeluk stoot af. Wie erin wegzakt, roept bij anderen – en vaak ook bij zichzelf – een soort afkeer op. Juist daarom is oprechte aandacht voor iemand in malheur zo ontzettend moeilijk. Het is bijna een wonder als het lukt.

Het is een harde wet: de mensen die het hardst gehoord moeten worden, zijn het allermoeilijkst te horen

In de zorg is dit helaas een pijnlijk herkenbaar fenomeen. Denk aan de patiënt die in de wandelgangen als lastig te boek staat, of de vrouw die inmiddels volledig zwijgt omdat ze allang heeft geleerd dat haar stem er toch niet toe doet. Volgens Weil is dat precies de plek waar het luisteren moet beginnen.

De kamer

Jaren geleden werd ik bij een stervende vrouw geroepen. De verpleegkundige bleef nog even in de deuropening staan. “Ze is aan het sterven,” zei ze zacht. “Dat voelen we allemaal. Maar het is alsof er iets is wat haar tegenhoudt.”

Ze lag in bed. Ze was tweeënnegentig en woonde in een gereformeerd verpleeghuis. Ik ging naast haar zitten. We kenden elkaar niet. We praatten wat over gewone dingen, en toen stelde ik haar een vraag.

“Hoe kijkt u terug op uw leven?”

“Mooi,” zei ze. Daarna bleef het even stil. “Misschien wel te mooi. En daarom ga ik waarschijnlijk naar de hel.”

Ik weet niet meer hoe ik keek. Ik weet alleen nog dat ik dacht: wat erg dat iemand aan het einde van haar leven zo bang kan zijn. Haar angst was echt, je zag het aan haar ogen. Ik wilde begrijpen waar die angst vandaan kwam en haar de ruimte geven om haar verhaal te doen.

“Ik ben hier vandaag voor u,” zei ik. “U mag mij vertellen waarom u denkt dat u naar de hel gaat. U hoeft zich nergens voor te schamen. Na vandaag ziet u mij nooit meer. Ik schrijf niets op en we nemen niets op. Wat u mij vertelt, blijft bij mij. Straks loop ik de deur uit en kom ik niet meer terug. Uw verhaal houd ik veilig bij me.”

Ze keek me een tijdje aan. En toen begon ze te vertellen.

Ze was jong getrouwd, had drie jongens gekregen en was inmiddels oma van zes kleinkinderen. Ze had van haar man gehouden; ze benadrukte dat ze geen ongelukkig huwelijk hadden gehad. Maar een paar jaar na haar bruiloft had ze via de kerk een andere man leren kennen, en ook van hem was ze gaan houden. Niet een beetje, en niet voor even. Die liefde had bijna haar hele verdere huwelijksleven met haar meegereisd. Ze had veel aan hem gedacht, over hem gedroomd, en in haar hoofd zinnen tegen hem uitgesproken die ze in het echt nooit had gezegd. Er was nooit iets tussen hen gebeurd. “Ik heb het nooit geconsumeerd,” zei ze.

Toch was ze ervan overtuigd dat die liefde alleen al verkeerd was. Dat ze van haar man hield én van een ander, betekende voor haar dat er iets in haar hart leefde wat er niet mocht zijn. Dat was haar angst: dat ze voor die liefde gestraft zou worden.

Ik luisterde naar haar. Ze had dit bijna haar hele leven alleen gedragen, en nu, vlak voor haar dood, vertelde ze het aan een vreemde. Zonder erbij na te denken zei ik: “Wat een groot hart moet u hebben, dat u in uw leven zoveel liefde kon voelen.”

Daarna bleef het heel lang stil. Ik pakte haar hand en hield die zachtjes vast. Toen vroeg ik: “Wilt u nog iets delen voordat ik ga?”

“Dank u wel,” zei ze.

Daarna liep ik de deur uit, zoals ik had beloofd. De rit naar huis duurde bijna drie uur. Vlak voor ik thuiskwam, ging mijn telefoon. De vrouw was overleden.

In die kamer hoefde ik haar angst niet te delen om haar serieus te nemen, en haar geloof niet te begrijpen om bij haar te kunnen zijn. Dat is denk ik wat Weil met aandacht bedoelt. Ze vraagt niet dat ik het geloof van de ander overneem of rechtzet, maar dat ik afwacht tot zij het durft te zeggen en haar niet te snel invul. Deze vrouw droeg haar liefde als een schuld. Maar ik hoorde in haar verhaal ook iemand die diep en langdurig had kunnen liefhebben. Die twee gezichten mochten er allebei zijn, zonder dat de een de ander hoefde weg te drukken.

Ja blijven zeggen

Hoe bleef ze in hemelsnaam van de wereld houden, met een leven dat haar alle reden gaf om bitter te worden? Haar antwoord is nuchter: liefde is bij Weil een kwestie van pure aandacht. En die aandacht houdt stand, juist als je gevoelens allang op zijn.

Weil weigerde zichzelf te sussen met illusies, maar ze bleef de schoonheid van de wereld zien, tot in haar allerlaatste brieven. Die schoonheid en naastenliefde waren voor haar allemaal wegen om God lief te hebben; vaak zonder dat ze die naam zelf gebruikte. Ze zocht steun bij de stoïcijnen en bij Nietzsches amor fati, de liefde voor het lot. Over de stoa schreef ze: “Geen berusting, maar vreugde. Men moet alle lijden met vreugde aanvaarden.”

Maar ze hield dit niet vol. Haar extreme strengheid gold vooral haarzelf; ze at nauwelijks nog, en dat ze zo jong stierf had daar alles mee te maken. In deze reeks zoek ik juist naar een manier van luisteren die je wél een leven lang kunt volhouden. Een houding waarin je fouten mag maken, mag struikelen en weer mag opstaan. Die mildheid kende Weil niet.

En toch zou ik haar voor geen goud willen missen. Ze laat zien hoe verpletterend ver aandacht kan gaan als er geen rem op zit, en welke tol een mens daarvoor soms moet betalen.

Weil en Levinas

Na de oorlog werd Weil in Frankrijk veel gelezen. Albert Camus gaf haar werk na haar dood uit en noemde haar ‘de enige grote geest van onze tijd’. Ook Levinas las haar. In 1952 schreef hij een artikel over haar: Simone Weil tegen de Bijbel.

Weil had zich nooit echt verdiept in het jodendom van haar familie, maar ze oordeelde er wel hard over. Het Oude Testament was voor haar vooral een boek over macht en verovering. De God van Israël stond in haar ogen te dicht bij de brute kracht die ze overal wantrouwde. Het christendom trok haar aan, maar ze liet zich nooit dopen. Ze bleef op de drempel van de kerk staan, schreef ze zelf.

Voor Levinas, die bijna zijn hele familie had verloren in de kampen, kwam die kritiek hard aan. Hij kon haar lezing niet zomaar laten passeren. ‘Je veroordeelt een traditie die je helemaal niet kent’, hield hij haar voor. Levinas nam het op voor de wet, die zij overbodig vond. Juist in die wet krijgt liefde bij hem een concrete vorm. Want in het echte leven ben je nooit met de Ander alleen; er zijn altijd meer mensen.

En zodra er een derde persoon bij komt, moet je gaan vergelijken, afwegen en verdelen. Daar begint de samenleving, en dus de politiek. Weil wantrouwde de groep. In het spoor van Plato noemde ze de maatschappij zelfs ‘het grote beest’. Maar Levinas hield haar voor dat goedheid zonder wetten en instellingen de meeste mensen nooit bereikt.

En toch komen ze op één punt samen. Weil stelt de plicht boven het recht; daar opent ze haar boek L’Enracinement mee. Levinas komt via een heel andere weg op hetzelfde uit: de Ander spreekt mij al aan nog voor ik zelf iets kan opeisen.

Wat mij raakt in hun botsing is de paradox. Weil wijdde haar leven aan aandacht, maar voor de teksten van haar eigen voorouders bracht ze die niet op. Buber had daar een woord voor: mismoeting, een mis-ontmoeting. Weil loopt voorbij aan de traditie waar ze vandaan komt. Het laat zien dat zelfs wie zijn leven lang oefent in luisteren, plekken heeft waar hij doof blijft.

Naschrift:

Kort nadat ik dit schreef, reageerde Roger Burggraeve. Hij kent Weil vooral via het artikel dat Levinas in 1952 over haar schreef. Roger wees me op iets wat ik had laten liggen.

De tegenstelling die Weil maakt tussen de God van het Oude en het Nieuwe Testament heeft een lange geschiedenis. Het doet denken aan het marcionisme uit de vroege kerk en aan de vervangingstheologie: het idee dat het Nieuwe Testament het Oude aflost. Levinas verzet zich daar fel tegen. Hij stelt daar de eigen waarde van de joodse Bijbel tegenover, met de nadruk op rechtvaardigheid en het oordeel over geweld. Zijn messianisme is daar onlosmakelijk mee verbonden.

Roger voegde daar nog een inzicht aan toe dat in mijn tekst ontbreekt. Weils beeld van het christendom was namelijk net zo weinig getoetst als haar beeld van het jodendom. Ze zette een christendom van genade en innerlijkheid tegenover een jodendom van wet en macht. Maar dat beeld is binnen het christendom zelf allang omstreden.

Met het document Nostra aetate uit 1965 sloeg het Vaticaan een heel andere weg in. Het jodendom was niet langer een voorbereiding die mocht worden afgedankt. En de bevrijdingstheologie en de sociale leer van de kerk haalden het Rijk Gods terug naar het hier en nu. Wat Levinas bij Weil bestrijdt, een genadedenken dat het geweld niet onder ogen wil zien, hebben christenen later dus ook zelf bestreden.

Roger laat ook zien dat Levinas zelf niet stilstond. In een lezing uit 1968 (Un Dieu Homme?) hoor je een heel andere toon. Waar hij zestien jaar eerder afstand hield, denkt hij nu mee met christelijke begrippen als vernedering en plaatsvervanging. De Levinas van 1952 was dus niet zijn laatste woord.

Ik blijf bij wat ik schreef over de mismoeting tussen Weil en de traditie waar ze vandaan kwam. Roger laat zien dat die mis-ontmoeting nog groter was dan ik dacht. Weil las het christendom zoals het haar uitkwam, en Levinas antwoordde op een christendom dat zijn eigen kritiek toen nog niet had uitgesproken. Wat daar tegenover elkaar staat zijn twee lezingen, allebei nog in beweging.

Noten

1. Simone Weil, Attente de Dieu (Parijs: La Colombe, 1950). Bevat haar ‘geestelijke autobiografie’ (brief aan J.-M. Perrin, 14 mei 1942).

2. Simone Weil, La condition ouvrière (Parijs: Gallimard, 1951). Het beeld van het ‘merkteken van de slaaf’ staat in Attente de Dieu.

3. Simone Weil, “Réflexions sur le bon usage des études scolaires en vue de l’amour de Dieu” (1942), in Attente de Dieu.

4. Simone Weil & Joë Bousquet, Correspondance 1942, red. Florence de Lussy en Michel Narcy (Parijs: Éditions Claire Paulhan, 2019).

5. Simone Weil, “L’amour de Dieu et le malheur”, in Attente de Dieu. De opmerking over de aandacht voor een ongelukkige komt uit “Réflexions sur le bon usage…”.

6. Simone Weil, “Formes de l’amour implicite de Dieu”, in Attente de Dieu.

7. Joke Hermsen, “Een utopische stip op de horizon”, De Groene Amsterdammer, 9 maart 2022 (over Weils amor fati en de stoa).

8. Albert Camus (red.), reeks Espoir (Parijs: Gallimard, vanaf 1949). Camus over Weil als “le seul grand esprit de notre temps”.

9. Emmanuel Levinas, “Simone Weil contre la Bible”, Évidences 24 (1952), herdrukt in Difficile liberté (Parijs: Albin Michel, 1963).

10. Plato, Politeia, boek VI (le gros animal); zie ook Simone Weil, La pesanteur et la grâce, red. Gustave Thibon (Parijs: Plon, 1947).

Reageren

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet getoond. Ik lees elke reactie voordat zij verschijnt.