In het vorige deel eindigde ik bij me voici: hier ben ik. Bij het antwoord dat al begonnen lijkt voordat ik mijzelf als antwoordend begrijp. Levinas brengt verantwoordelijkheid daar bijna ondraaglijk dichtbij. Het ik staat dan niet rustig tegenover de wereld. Het is al betrokken, al aangesproken, al in een verhouding gezet die ouder is dan de keuze.
Na zo’n deel lijkt een terugkeer naar Husserl misschien een omweg. Toch is die omweg nodig. Levinas’ radicaliteit ontstaat niet buiten de fenomenologie. Zij is gevormd door Husserls nauwkeurigheid: de discipline van het beschrijven, de aandacht voor verschijnen, de vraag hoe iets zich geeft voordat wij het verklaren of vastleggen.(1)
In eerdere delen ging het over asymmetrie, de derde, het gelaat, het Zelfde, ethiek als eerste filosofie, le Dire en le Dit, en me voici. Daardoor kan er iets anders gebeuren. We hoeven die begrippen niet opnieuw op te bouwen. We kunnen teruggaan naar de filosofische leerschool waar Levinas begon: Husserls fenomenologie.
Een dun boekje
Er bestaat een anekdote over de binnenkomst van de fenomenologie in Frankrijk. Rond de jaarwisseling van 1933 zitten Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Raymond Aron in Parijs in café Bec-de-Gaz. Aron is net terug uit Berlijn en vertelt over een manier van denken die hij daar heeft leren kennen. Hij wijst naar zijn glas en zegt, ik parafraseer: ‘Als je fenomenoloog bent, kun je over deze cocktail spreken en er filosofie van maken.’(2)
Voor Sartre was dat een openbaring. Filosofie hoefde dus niet alleen te vertrekken vanuit grote systemen. Het kon beginnen bij het glas op tafel, bij de ervaring, bij de wereld zoals die zich toont.
Sartre liep volgens het verhaal meteen naar een boekhandel en vroeg om alles wat men over fenomenologie had. Wat hij meekreeg, was een dun boekje: La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl. Het was in 1930 verschenen, als proefschrift. De schrijver was Emmanuel Levinas, die in 1928 en 1929 in Freiburg bij Husserl had gestudeerd.(3)
Dat beeld blijft veelzeggend. Het boekje dat de Franse fenomenologie mede op gang bracht, was geschreven door de denker die later die fenomenologie onder spanning zou zetten. Levinas bracht Husserl naar Frankrijk. Vervolgens verschoof hij het zwaartepunt.
Hij liet Husserl daarbij niet eenvoudig achter zich. Daarvoor is zijn verhouding tot Husserl te diep. Levinas bleef gevormd door wat Husserl hem had geleerd: aandacht voor verschijnen, intentionaliteit, ervaring, het concrete leven zoals het zich aandient. Zijn kritiek komt van binnenuit. In die zin kun je hem, met enige voorzichtigheid, een onorthodoxe Husserliaan noemen.(4)
De natuurlijke houding
Husserls fenomenologie begint met iets eenvoudigs en veeleisends tegelijk: wij leven meestal in wat hij de natuurlijke houding noemt. Dat is onze gewone manier van bestaan. We lopen door een straat, herkennen huizen, mensen, geluiden, gezichten. We zien een tafel en gebruiken haar. We lezen een bericht en reageren. We vragen ons zelden af hoe al die dingen aan ons verschijnen.
In die natuurlijke houding is de wereld vanzelfsprekend aanwezig. Zij is er. Wij bewegen erin. Wij handelen, spreken, beoordelen.
Husserl vraagt iets ongewoons. Hij wil die vanzelfsprekendheid tijdelijk opschorten. Dat noemt hij de epochè, of fenomenologische reductie. De wereld verdwijnt daardoor niet. Zij wordt ook niet ontkend. Wat tussen haakjes komt te staan, is onze automatische zekerheid dat wij al weten wat er voor ons ligt.(5)
Dan verschuift de aandacht. De eerste vraag luidt: hoe verschijnt dit aan mij? Hoe wordt het gegeven? Welke betekenisstructuur is al werkzaam voordat ik er een theorie over formuleer?
Deze beweging is minder abstract dan het klinkt. Wanneer ik een stoel zie, zie ik nooit alle kanten tegelijk. Ik zie een voorkant, een hoek, een kleur, een bepaalde plaats in de ruimte. Toch ervaar ik de stoel als meer dan dat zichtbare fragment. Ik weet dat er een achterkant is die ik nu niet zie. Ik kan eromheen lopen. Het object verschijnt in perspectieven, binnen een horizon die verder gaat dan wat nu onmiddellijk gegeven is.
Fenomenologie leert dus aandacht voor het gedeeltelijke karakter van het verschijnen. Wat verschijnt, raakt nooit uitgeput in één blik.
Voor Levinas is dat een beslissende les geweest. Het leerde hem dat kijken nooit neutraal is. Er is altijd een manier van verschijnen, een horizon, een betrokkenheid. De wereld komt niet als een ruwe massa op ons af. Zij wordt ervaren als betekenisvol, als gevreesd, verwacht, herinnerd, verlangd, gebruikt, bemind of gemeden.
Bewustzijn is gericht
Een tweede kernbegrip bij Husserl is intentionaliteit. Bewustzijn is altijd bewustzijn van iets. Ik denk aan iemand. Ik herinner mij een ontmoeting. Ik verlang naar stilte. Ik vrees een oordeel. Ik luister naar een stem. Bewustzijn is gerichtheid. Het is geen afgesloten binnenkamer waarin af en toe een indruk binnenvalt.(6)
Dat inzicht is fundamenteel. Het doorbreekt het beeld van een losstaand ik dat eerst op zichzelf bestaat en pas daarna de wereld ontmoet. Bewustzijn is van meet af aan betrokken op wat buiten zichzelf ligt. Het leeft in richting, verwachting, aandacht, herinnering, verlangen.
Hier ligt een van Husserls grote krachten. Hij beschrijft wat wij ervaren én hoe ervaring zich structureert. Iets verschijnt altijd als iets. Een geluid verschijnt als naderende voetstappen, als muziek, als dreiging, als herinnering aan vroeger. Een gezicht verschijnt als bekend, vreemd, vermoeid, gesloten, open, bezorgd. Nog voordat wij bewust redeneren, heeft ervaring al richting gekregen.
Daarmee komt Husserl dichter bij ons dagelijkse leven dan zijn technische vocabulaire doet vermoeden. Wij ervaren de wereld niet als een verzameling losse gegevens. Wij leven in verbanden. Wij herkennen patronen. Wij verwachten voortzetting. Wij vullen aan wat nog niet zichtbaar is.
Dat is wat fenomenologisch onderzoek wil blootleggen: de stille arbeid waardoor de wereld voor ons betekenis krijgt.
De Ander bij Husserl
Daarmee komt de vraag op die voor Levinas beslissend wordt: hoe verschijnt een ander mens?
Bij een ding is het al ingewikkeld genoeg. Ik zie de stoel vanuit één kant en ervaar haar toch als één object. Bij een ander mens wordt de kwestie scherper. Ik heb geen directe toegang tot het innerlijk leven van de Ander. Ik zie een lichaam, beweging, gebaren, mimiek, stem, houding. Ik zie iemand lachen, zwijgen, terugdeinzen, mijn blik zoeken of vermijden.
Husserl probeert te beschrijven hoe de Ander voor mij verschijnt als een ander bewustzijn. In de Vijfde Cartesiaanse Meditatie spreekt hij over Einfühlung, vaak vertaald als inleving of empathie, en over analogie. Vanuit mijn eigen belichaamde bestaan herken ik dat het lichaam van de Ander geen ding is zoals een stoel of een steen. Het is een levend lichaam, een lichaam dat waarneemt, handelt, voelt, reageert. Zo verschijnt de Ander als alter ego: een ander ik.(7)
Dat is een belangrijk punt. Husserl sluit het bewustzijn niet op in een privéwereld. De wereld is voor hem van meet af aan intersubjectief. Zij is een gedeelde wereld, waarin anderen verschijnen als medewaarnemers, medebetrokkenen, medebewoners.
Toch ontstaat hier de spanning met Levinas. Wanneer de Ander verschijnt als alter ego, blijft mijn eigen ervaring de toegangsweg. Ik begrijp de Ander vanuit gelijkenis, herkenning en analogie. De Ander wordt benaderd via wat ik vanuit mijzelf kan verstaan.
Levinas zal dat steeds verder aanscherpen. De Ander verschijnt inderdaad binnen mijn ervaring. Ik hoor een stem, zie een gezicht, registreer houding, leeftijd, taal, kleding, context. Dat alles doet ertoe. Tegelijk is de Ander bij Levinas meer dan degene die via mijn horizon toegankelijk wordt. Er is in de Ander een vreemdheid die geen tijdelijk tekort aan informatie is. Zij behoort tot de Ander zelf.(8)
Hoe snel wij ordenen
Hier helpt een korte omweg via hedendaags psychologisch onderzoek. Mensen vormen razendsnel eerste indrukken. Onderzoek naar gezichtswaarneming laat zien dat blootstelling van honderd milliseconden al genoeg kan zijn om indrukken te vormen over betrouwbaarheid, competentie, aantrekkelijkheid of agressiviteit. Ander onderzoek laat zien dat ook dreiging zeer snel wordt ingeschat.(9)
Dat zegt nog niets over de waarheid van zulke indrukken. Het laat wel zien hoe snel waarneming richting krijgt. Nog voordat wij onszelf als beoordelend subject ervaren, is er al een eerste ordening ontstaan. Een gezicht is dan al vriendelijk, bedreigend, betrouwbaar, gesloten of kwetsbaar geworden. Later kan informatie dat beeld corrigeren, verdiepen of ontregelen, maar de eerste beweging is vaak al gemaakt.
Dat hoort bij menselijke waarneming. Wij leven door patronen te herkennen. Zonder snelle ordening zouden wij nauwelijks kunnen handelen. In professionele contexten is dit nog zichtbaarder. Een arts ziet symptomen. Een docent ziet gedrag. Een leidinggevende hoort een toon. Een bestuurder herkent een patroon. Een verpleegkundige merkt aan een lichaam dat er iets verandert.
Daar wordt Levinas belangrijk. Ordening is onmisbaar. Een eerste indruk, een dossier of een diagnose helpt ons handelen. Toch kan zo’n kader bepalen wat er nog gehoord wordt. Dan verschijnt de Ander vooral binnen mijn begrip, terwijl juist dat begrip onderbroken moet kunnen worden.
Hier keert Husserl terug. Hij leert ons hoe betekenis verschijnt binnen een horizon. Levinas vraagt wat er gebeurt wanneer die horizon de Ander structureel insluit.
De grens van de horizon
Husserl laat zien dat ervaring altijd horizon heeft. Ik zie meer dan wat letterlijk zichtbaar is, omdat mijn waarneming wordt gedragen door verwachting, herinnering, context en mogelijke voortzetting. De horizon maakt ervaring mogelijk. Zonder horizon zou niets samenhang krijgen.
Hier ligt voor Levinas een fundamentele spanning. De horizon kan de Ander hebben opgenomen voordat die werkelijk gehoord wordt. Dat is bij Levinas een structureel gegeven: de horizon constitueert betekenis vanuit het ik, en dat is exact de beweging die Levinas bevraagt. Iemand verschijnt dan al als cliënt, patiënt, burger, medewerker, oudere, vluchteling, bestuurder, probleem, risico of casus. Al die woorden kunnen nodig zijn. Ze kunnen bescherming bieden, beleid mogelijk maken, rechtvaardigheid dienen. Toch blijft er een vraag: blijft de Ander hoorbaar in de taal waarin wij diegene plaatsen?
In deel 7 schreef ik uitvoeriger over le Même, het Zelfde: de beweging waarmee het ik de wereld naar zich toe haalt, ordent, begrijpt en hanteerbaar maakt. Hier wordt duidelijk hoe dicht dat bij Husserl ligt en waar Levinas een andere richting inslaat. De fenomenologische horizon laat zien hoe betekenis tot stand komt. Levinas laat zien dat die betekenisvorming structureel tekortschiet tegenover degene die voor mij staat, omdat de Ander principieel aan elke horizon ontsnapt. Juist die ontsnapping is de ethische aanspraak.
De Ander verschijnt binnen mijn horizon en doorbreekt haar tegelijk.
Het gelaat opnieuw, nu vanuit Husserl
In deel 6 stond het gelaat centraal. Daar ging het om de Ander die mij aanspreekt vóór elke ordening. Vanuit Husserl valt nu scherper te zien wat daarbij op het spel staat.
Het gelaat is bij Levinas meer dan de zichtbare voorkant van een hoofd. Het verwijst naar de wijze waarop de Ander zich toont en mij tegelijk ontglipt. Het gelaat verschijnt, maar laat zich niet uitputten door wat ik zie. Het spreekt, ook wanneer er geen woorden zijn. Het vraagt iets van mij voordat ik echt weet wat er wordt gevraagd.(10)
Hier is het de moeite waard stil te staan bij de taal die Levinas zelf gebruikt. In het Frans spreekt hij zowel van visage als van face-à-face. Roger Burggraeve, die Levinas persoonlijk heeft gekend, wijst erop dat face-à-face de betere vertaling is van het Hebreeuwse panim, het woord dat in Levinas’ denken doorklinkt. Panim is in het Hebreeuws een meervoudsvorm zonder enkelvoud. Alleen voor mijzelf heb ik een gezicht, een fysionomie, een uiterlijk. Een gelaat heb ik pas in het aanschijn van de ander. Gelaat is per definitie wederkerig en relationeel: het bestaat alleen in de ontmoeting, in het van-aanschijn-tot-aanschijn.(11) Bij Levinas verwijst het gelaat naar de wijze waarop de Ander mij aanspreekt en mijn begrijpen onderbreekt. Het gaat om een verhouding waarin ik niet eerst toeschouwer ben, maar aangesprokene. De Ander verschijnt, maar valt niet samen met wat ik van hem of haar kan zien, begrijpen of benoemen.
Daarmee verandert de fenomenologische vraag naar verschijnen. Husserl vraagt: hoe verschijnt iets aan het bewustzijn? Levinas vraagt: wat gebeurt er wanneer iemand mij in dat verschijnen aanspreekt en mijn positie verandert?
Dat is een verschuiving in de denkvolgorde. Begrijpen blijft nodig. Kennis blijft nodig. Beschrijving blijft nodig. Rechtvaardigheid vraagt om taal, vergelijking, procedure en oordeel, zoals in het deel over de derde duidelijk werd. Bij Levinas mag kennis alleen haar afkomst niet vergeten. Zij komt na een aanspraak die zij nooit volledig kan bevatten.
Daarom wordt luisteren hier zo belangrijk. Luisteren is dan meer dan informatie ontvangen. Het is de oefening om de horizon waarin ik iemand plaats, beweeglijk te houden. Ik mag waarnemen, begrijpen, ordenen en handelen. Mijn begrip moet zich kunnen laten corrigeren door degene die ik probeer zo goed mogelijk te begrijpen.
Levinas als Husserliaan tegen Husserl in
Het zou te eenvoudig zijn om te zeggen dat Levinas Husserl verlaat. Daarvoor blijft hij te veel een fenomenoloog. Hij blijft beschrijven. Hij blijft zoeken naar de structuur van ervaring. Hij blijft gevoelig voor wat zich toont voordat het theoretisch wordt vastgelegd. In zijn denken blijft de fenomenologische methode werkzaam, ook wanneer hij haar grens opzoekt. (12)
Tegelijk schuift Levinas de vraag op. Bij Husserl blijft het bewustzijn de plaats waar betekenis verschijnt. Zingeving blijft verbonden met het schouwende, constituerende bewustzijn. Daardoor ontstaat volgens Levinas te weinig ruimte voor wat het bewustzijn werkelijk te boven gaat: transcendentie en alteriteit.(13)
Bij Levinas wordt het bewustzijn zelf onderbroken door een aanspraak die het niet zelf heeft voortgebracht. De Ander komt niet alleen binnen als betekenis voor mij. De Ander plaatst mij in verantwoordelijkheid.
Het opvallende is dat die wending al zichtbaar wordt in het dunne boekje uit 1930. Aan het eind van zijn studie over Husserl schrijft Levinas dat de egologische reductie, de reductie tot het ik, hoogstens een eerste stap kan zijn. Het concrete leven is geen opgesloten bewustzijn. In het concrete ligt al de ontdekking van de anderen, van een intersubjectieve wereld.(14) Daar staat in kiem wat hij later veel verder zou voeren.
Sommige hedendaagse lezers benadrukken daarom terecht dat Levinas’ verhouding tot Husserl complexer is dan een breukverhaal. Levinas werkt met Husserliaanse middelen en zet ze tegelijk onder druk. Hij radicaliseert de vraag naar verschijnen door te laten zien dat de Ander verschijnt als degene die zich niet volledig laat verschijnen. Juist daarin ligt de ethische kracht.(15)
Dat maakt zijn denken vruchtbaar voor het luisteren. Het gaat erom te begrijpen dat het zijn eigen voorlopigheid kent. Om te verstaan dat openblijft nadat het een naam, categorie of verklaring heeft gevonden. Om aandacht die haar eigen behoefte aan zekerheid herkent.
Terug naar het boekje
Misschien krijgt dat dunne boekje uit 1930 hierdoor een andere betekenis. Levinas schreef over intuïtie bij Husserl: over de wijze waarop iets wordt gegeven, hoe iets zich toont, hoe betekenis zich vormt in het bewustzijn. En daar, in de slotbladzijden, opent hij al de deur naar de ander en naar de intersubjectieve wereld. Het boek dat de fenomenologie naar Frankrijk bracht, droeg de onderbreking dus al in zich.
Wat zich toont kan mijn begrip ontregelen. Wat ik probeer te verstaan, kan mijn begrip verstoren. Dat is de beweging van Husserl naar Levinas, en het begint, zoals vaker in de filosofie, in een proefschrift dat verder ging dan het zichzelf wist.
In Freiburg ontmoette Levinas niet alleen Husserl. Hij was ook aanwezig bij colleges van Martin Heidegger, wiens Sein und Zeit hij later “één van de mooiste boeken uit de filosofie” zou noemen. Heidegger brak op zijn manier met het primaat van het bewustzijn: het zijn gaat vooraf aan het kennen, de vraag naar het zijn gaat vooraf aan de vraag naar het subject. Voor een moment leek dat de weg die Levinas ook wilde gaan. Maar het bleek uiteindelijk voor Levinas, als alomvattende horizon, hetzelfde probleem te hebben als Husserls bewustzijn: het sluit de Ander opnieuw in, nu in het zijn zelf. Wat Levinas zocht, lag voorbij het zijn. Die verschuiving zou hij later aanduiden als autrement qu’être: anders dan zijn. Heidegger is dus een werkelijke afslag geweest, een die Levinas serieus heeft genomen en daarna bewust heeft verlaten. Dat verdient een eigen deel. Hier volstaat de aanwijzing dat de weg van Husserl naar Levinas niet rechtstreeks loopt.
Noten
-
Emmanuel Levinas, La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl (1930). Zie ook Levinas’ latere bundel En découvrant l’existence avec Husserl et Heidegger.
-
Simone de Beauvoir vertelt deze anekdote in La Force de l’âge (The Prime of Life). De formulering over de cocktail wordt in de literatuur vaak gebruikt als scène waarin de Franse belangstelling voor fenomenologie gestalte krijgt.
-
Levinas studeerde in 1928 en 1929 in Freiburg, waar hij Husserl hoorde en ook Heidegger ontmoette. Zijn proefschrift uit 1930 was een van de eerste grote Franse studies over Husserl.
-
Het is met name de fenomenologische methode die Levinas ontleende aan Husserl en die hij naar eigen zeggen nooit heeft verlaten. Tot in zijn late werk blijft hij gebruik maken van de taal en het begrippenmateriaal van Husserl, onder meer in de lezing Notes sur le sens uit 1979, opgenomen in De Dieu qui vient à l’idée (Parijs, 1982). Zie ook Th. de Boer, Van Brentano tot Levinas. Studies over de fenomenologie (Amsterdam, 1989), die de continuïteit én de verschuiving in Levinas’ verhouding tot Husserl nauwgezet beschrijft.
-
Edmund Husserl, Ideen zu einer reinen Phänomenologie und phänomenologischen Philosophie I (1913), vooral de passages over natuurlijke houding, epochè en fenomenologische reductie.
-
Husserls begrip intentionaliteit gaat terug op Brentano, maar krijgt bij Husserl een eigen fenomenologische uitwerking, onder meer in Logische Untersuchungen en Ideen I.
-
Edmund Husserl, Cartesianische Meditationen, Vijfde Meditatie, over alter ego, analogie, lichaam en intersubjectiviteit.
-
Roger Burggraeve benadrukt dat het gelaat bij Levinas niet samenvalt met de fysieke verschijning of het uiterlijk van de ander. De Ander kan nooit adequaat worden samengevat in beeld, diagnose of representatie.
-
Zie onder meer Janine Willis en Alexander Todorov, “First Impressions: Making Up Your Mind After a 100-Ms Exposure to a Face”, Psychological Science 17, nr. 7 (2006), 592–598. Zie ook Moshe Bar, Maital Neta en Heather Linz, “Very First Impressions”, Emotion 6, nr. 2 (2006), 269–278.
-
Emmanuel Levinas, Totalité et Infini (1961), vooral de passages over het gelaat, exterioriteit en het appel van de Ander.
-
Roger Burggraeve, in persoonlijke correspondentie en in zijn werk over Levinas’ interpersoonlijke ethiek. Levinas gebruikt zowel visage als face-à-face; het Hebreeuwse panim is een meervoudsvorm zonder enkelvoud, wat uitdrukt dat gelaat alleen bestaat in de ontmoeting, van-aanschijn-tot-aanschijn.
-
Levinas blijft in zijn werk gebruikmaken van fenomenologische beschrijving, ook wanneer hij de grenzen van intentionaliteit en constitutie onderzoekt.
-
In de Levinas-literatuur wordt dit verbonden met zijn kritiek op Husserls idealisme: betekenis blijft bij Husserl te sterk verbonden met het constituerende bewustzijn, waardoor transcendentie en alteriteit moeilijk werkelijk buiten het bewustzijn kunnen staan.
-
In de slotbeweging van La théorie de l’intuition schrijft Levinas dat de reductie tot het ego slechts een eerste stap kan zijn en dat het concrete leven de ontdekking van anderen en van een intersubjectieve wereld vraagt.
-
Levinas ziet de methode van de intentionele analyse, de recherche du concret, als bouwsteen voor zijn eigen denken. Tegelijk kan hij inhoudelijk niet met Husserl meegaan: omdat zingeving bij Husserl uiteindelijk een zaak blijft van het schouwende bewustzijn, is er volgens Levinas geen werkelijke plaats voor transcendentie en alteriteit. Zie Levinas, En découvrant l’existence avec Husserl et Heidegger (Parijs, 1949, uitgebreide editie 1967), en de analyse hiervan in Th. de Boer, Van Brentano tot Levinas (Amsterdam, 1989).
Laat een reactie achter