Ik zat thuis en probeerde iets uit te leggen wat ik zelf nog niet goed onder woorden had. Het is ingewikkeld om een chronische ziekte te hebben en te ontdekken wat dat met mij doet als mens, want….
Halverwege kwam het antwoord.
Ik begrijp wat je bedoelt.
Ik knikte, want dat doe je, en verder kwam ik niet. Mijn zin was nog niet af. Terwijl ik zocht naar woorden, bleek mijn verhaal al begrepen te zijn. Het gebeurde die week nog een paar keer, soms in een andere vorm.
De bedoeling was goed. Daar twijfel ik niet aan. De zin wilde zeggen: ik ben bij je, ik volg je. Toch stokte er iets. Wat ik nog niet gezegd had, was al bij iemand geland.
Meestal betekent zo’n zin iets kleiners. Ik begrijp wat je zegt. Ik herken iets van wat je vertelt. Maar er klinkt gemakkelijk iets groters in mee, alsof ook de mens die spreekt begrepen is. Wie hem hoort, kan op datzelfde moment denken: je begrijpt mij helemaal niet.
Ik hoor de zin vaak om mij heen. En soms nog uit mijn eigen mond.
Twee mensen kunnen uit hetzelfde gesprek weglopen met een verschillend verhaal. De een heeft begrip aangeboden en voelt zich nabij. Bij de ander ging er iets dicht. De intentie was er. Het effect ging een andere kant op.
Emmanuel Levinas heeft zijn leven lang nagedacht over wat er gebeurt wanneer wij de ander proberen te begrijpen. Hij werd geboren in Kaunas, studeerde in Straatsburg en Freiburg en bracht de oorlog door als Franse krijgsgevangene. Zijn ouders en broers werden in Litouwen vermoord. Die geschiedenis verklaart zijn filosofie niet, maar geeft wel gewicht aan zijn wantrouwen tegenover een denken dat meent de ander geheel te kunnen kennen.
Wanneer ik iets begrijp, breng ik het onder in een samenhang die ik al ken. Ik verbind wat ik hoor met mijn taal en met wat ik zelf heb meegemaakt. Zo kan ik volgen wat iemand zegt. Het begint te wringen wanneer mijn begrip zich sluit en ik ga geloven dat mijn interpretatie samenvalt met de mens die tegenover mij zit.
Levinas noemt dat totaliteit: een manier van denken waarin wat anders en vreemd is een plaats krijgt binnen een geheel dat ik kan overzien. De ander wordt dan iemand van wie ik weet hoe het zit. En daarmee wordt hij kleiner.
Daartegenover staat bij Levinas het oneindige. Deze ene mens valt nooit helemaal samen met wat ik van hem weet of over hem kan zeggen. Ook als ik iemand goed ken, blijft er iets wat zich aan mijn kennis onttrekt.
Misschien gaat de zin ik begrijp je daarom juist vaak mis wanneer hij oprecht bedoeld is. Wie hem uitspreekt, geeft terug: ik heb je verhaal een plaats kunnen geven. Wie hem ontvangt, kan horen dat het zoeken voorbij is, terwijl het misschien pas op gang kwam.
In zijn latere werk maakt Levinas onderscheid tussen le Dire en le Dit, het zeggen en het gezegde. Het gezegde is wat in taal een vorm krijgt, wat ik kan vertellen, samenvatten en herhalen. Het zeggen laat zich minder gemakkelijk vastleggen. Het heeft te maken met het feit dat iemand zich tot mij wendt en zich in het spreken blootstelt. Er gebeurt iets tussen mensen dat nooit helemaal samenvalt met de woorden waarin het terechtkomt.
Ook ik begrijp je wordt, zodra ik het uitspreek, een gezegde. Daar hoeft niets mis mee te zijn. Het wordt moeilijk wanneer mijn formulering het laatste woord krijgt. De ander was misschien nog aan het zoeken. Misschien wist hij zelf nog niet wat hij probeerde te zeggen. Mijn begrip kan dan eerder afgerond zijn dan zijn verhaal.
Daar ligt voor mij een reden om te spreken over luisteren met, eerder dan alleen over luisteren naar. Dat met herinnert mij eraan dat begrijpen voorlopig blijft. Ik luister naar wat iemand zegt en probeer mee te bewegen met wat zich tijdens het spreken ontwikkelt. Soms zijn de woorden er al. Soms ontstaan ze pas terwijl iemand spreekt.
Wat ik meen te begrijpen kan ik teruggeven. Als iets wat de ander mag corrigeren.
Luisteren met betekent ook niet dat ik mezelf uit het gesprek kan verwijderen. Mijn ervaringen en mijn oordelen reizen mee. De vraag is wat ik ermee doe. Worden ze de maat waarmee ik de ander begrijp? Of kan ik verdragen dat wat ik meen te horen later anders blijkt te liggen?
In dat luisteren doet de zin ik begrijp je er voor mij niet veel meer toe. Ook die zin zegt vooral iets over mijn begrip. Luisteren met vraagt iets anders: dat ik beschikbaar blijf voor wat mijn eerste interpretatie tegenspreekt, en dat de ander niet hoeft samen te vallen met mijn beeld van hem.
Hvile van Vilhelm Hammershøi
In Hvile van Vilhelm Hammershøi zit een vrouw op een stoel, van achteren gezien, haar hoofd iets gebogen. De kamer is stil en vrijwel leeg. Je kunt lang naar haar kijken en toch blijf je achter haar staan.
Ze is volledig aanwezig en laat zich niet zien.
Hammershøi schilderde zijn vrouw vaker met de rug naar de kijker. Misschien houd ik daarom zo van dit schilderij. Ik kan kijken zonder toegang te krijgen tot wie zij is. Haar aanwezigheid geeft mij geen recht op haar binnenwereld.
In mijn Architectuur van Luisteren noem ik dit de toetssteen van effect vóór intentie. Mijn bedoeling kan goed zijn, maar toch blijft de vraag wat mijn woorden in de ontmoeting deden. Gaven ze de ander de ruimte om verder te spreken? Of werd het verhaal kleiner doordat ik me te vroeg meende te weten wat er gezegd werd? Alleen de ander kan mij daar werkelijk iets over leren.
Wat die toetssteen voor mij bruikbaar maakt, is dat je terug kunt. Ik noem dat herstelbaarheid: de bereidheid om wat ik zei opnieuw te bekijken zodra blijkt dat het de ander geen recht deed.
Wanneer ik zeg dat ik iemand begrijp en de ander laat merken dat mijn begrip tekortschiet, kan het luisteren opnieuw beginnen. Soms komt die correctie van de ander. Soms merk ik zelf dat mijn samenvatting te glad was, dat ik iets heb dichtgemaakt wat nog open lag. Een gesprek blijft herstelbaar zolang beiden mogen blijven spreken.
Levinas schrijft niet over herstelbaarheid van gesprekken zoals ik dat hier doe. Toch herken ik in zijn begrip dédire een beweging die mij daarbij helpt. In Autrement qu’être beschrijft hij hoe het zeggen zich telkens weer moet losmaken uit het gezegde waarin het dreigt vast te raken. Iedere formulering over de Ander wordt onvermijdelijk een gezegde. Daarom moet ook de formulering weer losgemaakt kunnen worden. Zelfs de correctie wordt op een gegeven moment weer een gezegde.
Dat terugnemen is bij Levinas geen eenmalige beweging. Het blijft gebeuren. We formuleren, merken dat onze woorden tekortschieten en moeten opnieuw beginnen.
Luisteren betekent voor mij dat mijn begrip nooit het laatste woord heeft. Ik probeer te volgen en geef soms terug wat ik meen te hebben gehoord, als iets wat de ander mag veranderen.
Zeggen dat ik iemand probeer te begrijpen is iets anders dan zeggen dat ik iemand heb begrepen. In dat laatste klinkt iets afgeronds, alsof de ander kan worden opgeborgen in het verhaal dat ik van hem heb gemaakt.
De zin ik begrijp je mag daarom van mij blijven staan, als opening. Dit is wat ik tot nu toe van je heb begrepen. En daarna misschien een vraag.
Waar en wanneer heb ik je gemist?
Laat een reactie achter