Me voici Hier ben ik

Een filosofische reis naar de Ander

Horizonversmelting

Horizonversmelting

Levinas en Hans-Georg Gadamer

Deel 18 van 24 27 juli 2026 15 min lezen Taal

Na Blanchot een hele andere gesprekspartner, en een andere verhouding. Met Hans-Georg Gadamer had Levinas geen vriendschap. Voor zover bekend heeft Levinas zich nergens rechtstreeks tot hem gericht, en Gadamer noemde Levinas alleen terloops. Toch dringt de vergelijking zich op. Beide levens omspannen vrijwel de hele twintigste eeuw. Beiden werden gevormd door Husserl en Heidegger en draaiden om dezelfde vraag: hoe ontmoet ik het andere zonder het in te lijven in wat ik al ken?

Onderbreken

Ik zat bij een jonge man die wist dat hij zou sterven. Zijn vrouw was erbij, en ook hun pasgeboren kindje. Hij vertelde over zijn ziekte, en ik hoorde de termen: huidkanker, metastasen, in het hoofd. Hij vertelde over het afscheid dat hij wilde vieren, met iedereen die hem dierbaar was, zodat niet iedereen steeds opnieuw huilend afscheid kwam nemen.

Terwijl ik naar hem luisterde, kwam het ziekteproces van mijn vader naar boven. Ook hij stierf aan huidkanker, met metastasen in zijn hoofd. Ik betrapte mij erop dat ik niet meer luisterde.

Voor het eerst zei ik het hardop: “Het spijt mij, ik moet ons gesprek even onderbreken. Er gebeurt iets bij mij waardoor ik niet meer naar je kan luisteren. Ik ben over tien minuten terug.”

Ik liep naar buiten en huilde tien minuten lang. Ik belde mijn partner. Toen ging ik terug. Hij vroeg of alles goed was. “Ja, ik ben er weer,” zei ik. “Door jouw verhaal kwam een verhaal uit mijn eigen leven naar boven, en dat moest ik toelaten om weer bij jullie te kunnen zijn en te luisteren.”

Pas veel later vond ik een woord voor wat daar gebeurde, bij de denker die in dit hoofdstuk aanschuift.

De man Hans

Hans-Georg Gadamer werd op 11 februari 1900 geboren in Marburg. Zijn moeder stierf toen hij vier was. Zijn vader, een autoritaire hoogleraar farmaceutische chemie, keek neer op de geesteswetenschappen en had zijn zoon liever in een laboratorium gezien. Gadamer koos toch voor de filosofie en promoveerde in 1922, tweeëntwintig jaar oud, bij de Plato-kenner, Natorp. In datzelfde jaar kreeg hij polio; de ziekte hield hem maandenlang in isolatie, en de rest van zijn leven liep hij moeilijk. Ze bespaarde hem later ook de dienstplicht.

Hans-Georg Gadamer

Toen kwam Heidegger. Gadamer volgde zijn colleges in Freiburg, reisde hem achterna naar Marburg en werd zijn assistent, maar de meester hield zijn leerling jarenlang klein: “U bent niet hard genoeg jegens uzelf.” Vertwijfeld week Gadamer uit naar de klassieke filologie, de studie van de Griekse en Latijnse teksten, wat achteraf zijn redding bleek: daar vond hij het fundament van zijn latere denken. In 1929 habiliteerde hij alsnog bij Heidegger, met het tweede proefschrift dat in Duitsland de weg naar het hoogleraarschap opent. Gadamer probeerde, zoals zijn biograaf het beschrijft, een goede zoon te zijn en tegelijk zijn eigen weg te vinden, bij zijn vader en bij Heidegger; een vadermoordenaar was hij niet.

Ook dit leven kent een oorlogsschaduw, van een ander soort dan bij Blanchot. Gadamer gedroeg zich onder het nationaalsocialisme als apolitieke conformist: hij ondertekende in 1933 een loyaliteitsverklaring aan Hitler en dankte zijn professoraat mede aan deelname aan een herscholingskamp voor docenten. Wie in dit boek meeleest, ziet het patroon: de denkers rond Levinas dragen allemaal de sporen van die jaren, ieder op eigen wijze. Terwijl Levinas in krijgsgevangenschap zat en zijn familie werd vermoord, overwinterde Gadamer in Leipzig.

Zijn grote tijd kwam laat. In 1949 volgde hij Karl Jaspers op in Heidelberg, en pas in 1960, op zijn zestigste, verscheen Wahrheit und Methode, één jaar voor Totalité et infini. Daarin werkt hij zijn filosofische hermeneutiek uit: verstaan is geen methode waarmee een subject een object benadert; wie verstaat, staat zelf al in de geschiedenis die hij wil begrijpen. Vooroordelen vormen bij hem de voorwaarde om überhaupt iets te kunnen verstaan, al moeten ze in het gesprek op het spel worden gezet. Zijn beroemdste zin: “Sein, das verstanden werden kann, ist Sprache”, zijn dat verstaan kan worden, is taal. De man leek zijn eigen hermeneutiek te belichamen. Hij gold als bescheiden en mild, voerde eindeloze gesprekken met studenten, debatteerde vanaf eind jaren zestig met Habermas en in 1981 in Parijs met Derrida, tenniste tot zijn vijfenzeventigste en hield het naar eigen zeggen bij wat beweging en één glas wijn per dag. Hij noemde zichzelf in 1993 “een levend anachronisme, omdat ik er eigenlijk niet meer bij hoor en er toch nog bij ben”. Hij stierf in 2002 in Heidelberg, honderdtwee jaar oud.¹

Hebben ze elkaar gekend?

Een vriendschap zoals met Blanchot was er niet, en zelfs een polemiek ontbreekt. Levinas noemt Gadamer in zijn werk nergens rechtstreeks, en een substantiële tekst van Gadamer over Levinas is mij niet bekend. Uit één passage blijkt wel dat Gadamer Levinas kende en waardeerde: in zijn antwoord aan Derrida schrijft hij dat het bezwaar dat verstaan altijd toe-eigening wordt, ook door Levinas hoog wordt aangeslagen, en dat die observatie niet valt af te wijzen.² Ook bewogen ze zich in dezelfde kringen. Op de colloquia die Enrico Castelli in Rome organiseerde, stonden ze samen op het programma; op het colloquium over getuigenis in 1972 leverden beiden een bijdrage, naast onder anderen Ricoeur en Gabriel Marcel.² Ze moeten elkaars werk en elkaars gezicht gekend hebben. Maar het gesprek dat je zou verwachten, tussen de filosoof van het verstaan en de filosoof van het appèl, is nooit gevoerd. Het werd na hun dood alsnog belegd, door anderen en op papier. Voor twee denkers die allebei het gesprek tot kern van hun filosofie maakten, is dat een ironie die om aandacht vraagt.

Horizonversmelting

Gadamers beroemdste woord moet hier nog vallen: de Horizontverschmelzung, de versmelting van horizonten. Een horizon is bij hem alles wat vanuit een standpunt zichtbaar is: de geschiedenis die ik meedraag en de taal waarin ik denk. Niemand verstaat zonder horizon, en niemand hoeft dat te betreuren, want zonder horizon valt er niets te verstaan. Verstaan gebeurt wanneer mijn horizon en die van de ander in het gesprek in elkaar schuiven, en wat dan ontstaat, is van geen van beiden. Gadamer zegt er iets bij dat vaak wordt vergeten: de taak van het verstaan bestaat erin de spanning tussen de horizonten niet toe te dekken maar haar te ontvouwen.³ Ik lees daarin dat de versmelting nooit helemaal voltooid is.

Tijdens het gesprek met de man die zijn afscheid wilde vieren, heb ik beide kanten van dat woord gevoeld. Mijn horizon was daar niet uit te schakelen. De woorden huidkanker en metastasen wogen voor mij anders dan ze voor een ander hadden kunnen wegen, en juist daardoor kon ik horen wat hij droeg. Diezelfde horizon dreigde het gesprek over te nemen. Zijn verhaal werd bijna het verhaal van mijn vader, en daarmee verdween hij uit mijn luisteren. Toen ik het gesprek onderbrak en buiten stond te huilen, deed ik zonder het te weten wat Gadamer de taak van het verstaan noemt: ik liet de spanning bestaan en gaf haar ruimte. Pas daarna kon ik terugkomen.

En toch versmolten de horizonten niet, en die rest is wat Levinas nodig heeft. Zijn sterven bleef het zijne. Ik kwam terug als iemand die weer kon luisteren, en het verschil tussen zijn verhaal en het mijne bleef staan: een versmelting die op tijd wordt onderbroken.

De voorrang van het horen

Er is een passage in Wahrheit und Methode die in dit hoofdstuk niet mag ontbreken, omdat zij het luisteren zelf tot onderwerp maakt. Wanneer Gadamer in het derde deel het begrip Zugehörigkeit (toebehoren) bepaalt, wijst hij op een eigenaardige dialectiek van het horen. Wie hoort, wordt aangesproken. En wie aangesproken wordt, moet horen, of hij wil of niet. Het oog kan zich afwenden en het ooglid kan zich sluiten; het oor kent geen vergelijkbaar gebaar. Daarom, schrijft Gadamer, ligt de voorrang van het horen aan het hermeneutische fenomeen ten grondslag, en hij beroept zich daarvoor op Aristoteles. Het horen noemt hij een weg naar het geheel, omdat het naar de logos kan luisteren, naar wat zich in taal laat horen.⁴

Het verhaal van mijn vader kwam binnen door mijn oren, buiten mijn wil om. Wie aangesproken wordt, moet horen. Dat ik het gesprek moest onderbreken, kwam doordat mijn oren hun werk deden.

Hier komen de twee dichter bij elkaar. Ook bij Levinas gaat het aangesproken worden aan het willen vooraf: het appèl van het gelaat bereikt mij nog voor ik kiezen kan. Het verschil zit in wat er te horen valt. Bij Gadamer hoor ik de overlevering, de taal waarin ik thuishoor; wie ergens bij hoort, kan horen. Bij Levinas komt de aanspraak van buiten elk toebehoren: van de Ander, met wie ik nog niets deel.

Gadamer trekt de lijn zelf door naar de band tussen mensen. Zonder openheid voor elkaar, schrijft hij, bestaat er geen echte menselijke band, en bij elkaar horen betekent altijd ook naar elkaar kunnen luisteren.⁵ In het Duits zijn het bijna dezelfde woorden: zueinander gehören, aufeinander hören. Toebehoren en kunnen horen zijn bij hem twee kanten van dezelfde medaille.

Kunst als spel

Over de kunst staat Gadamer lijnrecht tegenover Levinas. In het spoor van Heideggers Der Ursprung des Kunstwerkes kent hij aan het kunstwerk voorrang toe: in de kunst spreekt waarheid. Zijn sleutelbegrip is het spel. Wie speelt, gaat op in een beweging die hij niet zelf regisseert; het eigenlijke subject van het spel is niet de speler maar het spel zelf, schrijft Gadamer. Zo is het ook met de kunst: het werk is een gebeurtenis waarin ook de toeschouwer wordt opgenomen en die pas in dat meespelen voltooid wordt. En dit verstaan is er niet op uit het vreemde op te heffen. Gadamers eigen formulering: “im Verstehen die Andersheit des Anderen nicht aufzuheben, sondern zu bewahren”, in het verstaan de andersheid van de ander niet opheffen maar bewaren. In gesprek zijn betekent bij hem boven jezelf uit zijn, met de ander denken en op jezelf terugkomen als op een ander.⁶ Dat klinkt toch bijna Levinasiaans.

De oude verdenking

Voor Levinas blijft dit een gevaarlijke belofte. Aan de kunst waarheid toekennen is in zijn ogen een vorm van idolatrie: het schrijft aan een ding het vermogen toe om te spreken en te onderwijzen, terwijl alleen een levend wezen dat kan. In lijn met Plato’s kritiek op het geschreven woord in de Phaedrus houdt Levinas vol dat het kunstwerk zwijgt. Het kan zich niet verdedigen en niet antwoorden; het is een aanwezigheid zonder aanspreekbaarheid.⁷ Het masker van de kunst uit het vorige hoofdstuk keert hier terug, nu tegenover een denker die het omgekeerde beweert: dat het kunstwerk de toeschouwer juist aanspreekt.

Verwantschap en verschil

Wat hen verbindt, is meer dan de eeuw die ze deelden. Beiden onttroonden het zelfverzekerde subject van de moderne filosofie: bij Gadamer begrijp ik mijzelf pas vanuit een overlevering die mij voorafgaat, bij Levinas ben ik pas mijzelf doordat de Ander mij aanspreekt. Het luisteren krijgt bij allebei voorrang boven het beheersen: Gadamer noemde het mogelijke gelijk van de ander het uitgangspunt van de hermeneutiek, Levinas maakte van het antwoorden aan de Ander de eerste filosofie. En beiden leerden bij Heidegger en maakten zich van hem los, ieder langs een andere weg: Gadamer door het gesprek met de traditie, Levinas door de breuk met de ontologie.

Maar onder die verwantschap ligt een verschil dat Christopher King ontologisch heeft genoemd. Gadamer vertrekt uit verbondenheid: taal en overlevering zijn gedeeld, en juist dat gedeelde maakt toegang tot de ander mogelijk. Levinas vertrekt uit gescheidenheid: het gelaat gaat aan ieder gesprek vooraf en spreekt mij aan nog voordat er een gemeenschappelijke horizon is. Daarom is het gesprek bij Gadamer ten diepste symmetrisch, twee partners rond een gedeelde zaak, en bij Levinas asymmetrisch, de Ander komt van hoger.

“Robert Bernasconi spitste dat in 1995 toe met een Levinasiaans verwijt aan de hermeneutiek: wie de ander verstaat door diens gezichtspunt in de eigen horizon op te nemen, heeft de ander tot het eigene herleid. Hij denkt aan gesprekken waarin de afstand onoverbrugbaar is en de een tegen de ander zegt: je weet niet waar ik het over heb. Vrouwen zeggen het tegen mannen, het slachtoffer tegen de onderdrukker. De zin vraagt volgens Bernasconi meer dan kennis; hij zegt: je kunt niet jezelf zijn en mij verstaan.”

Tijdens het gesprek waarmee dit hoofdstuk begon, was het gevaar omgekeerd: ik wist te goed waar hij het over had. Verdedigers van Gadamer brengen tegen Bernasconi in dat openheid bij hem juist betekent dat ik moet aanvaarden dat iets tegen mij ingaat.⁸ Ze kunnen zich daarbij op Gadamers eigen woorden beroepen. In het deel over de hermeneutische ervaring beschrijft hij hoe de ander als Du (jij) ervaren kan worden, en hij onderscheidt daarin gradaties. In de laagste geldt de ander als een geval dat zich laat doorzien. Subtieler is de vergissing van wie meent de ander beter te begrijpen dan die zichzelf begrijpt; zo iemand houdt de aanspraak van de ander op afstand, en Gadamer noemt de zorgzaamheid die op deze manier te werk gaat een verhulde vorm van heersen. Werkelijke openheid begint waar ik de ander iets tegen mij laat zeggen, ook als niemand mij daartoe dwingt.⁵ Ik zou het verschil zo samenvatten: bij Gadamer kan het gesprek mislukken, bij Levinas komt het gesprek altijd al te laat, want de verantwoordelijkheid ging eraan vooraf.

Ook hun levens wijzen hier uiteen. Het is verleidelijk, en waarschijnlijk te gemakkelijk, om de filosofie uit de biografie te verklaren; maar dat de man die de continuïteit van de traditie dacht, de oorlog als conformist doorkwam, en de man die de breuk dacht, er alles verloor, mag op zijn minst toch genoemd worden.

Wat wordt er gemist?

De rekening hoeft daarmee niet eenzijdig te worden opgemaakt. Colin Davis heeft gesuggereerd dat beide denkers uiteindelijk hetzelfde risico lopen: juist de ontmoeting die ze willen bewaren, mislopen. Gadamer omdat het vreemde in het verstaan toch vertrouwd wordt, Levinas omdat hij de plaatsen waar het vreemde zich óók kan melden, zoals het kunstwerk, op voorhand heeft dichtgezet. Davis illustreert dat aan een merkwaardige episode uit Gides roman Les Faux-Monnayeurs, waarin een engel verschijnt: een ontmoeting met het volstrekt andere, aangeboden door een literaire tekst, en misschien wel het bewijs dat de literatuur kan geven wat beide theorieën haar niet toevertrouwen.⁹ Dat zou Blanchot, denk ik deugd hebben gedaan.

Noten

  1. Biografie Gadamer: Martijn Meijer, “De eeuw van Hans-Georg Gadamer”, Filosofie Magazine 4/2002 (online: filosofie.nl/de-eeuw-van-gadamer), gebaseerd op de biografie van Jean Grondin, Hans-Georg Gadamer: Eine Biographie (1999). Daar ook de houding onder het nationaalsocialisme (loyaliteitsverklaring 1933, herscholingskamp, professoraat) en het citaat over het “levend anachronisme”. De polio-episode van 1922 en de opvolging van Jaspers in Heidelberg (1949) bij Grondin.

  2. De gedeelde podia: op het door Enrico Castelli georganiseerde colloquium over getuigenis (Rome, 1972) leverden zowel Gadamer als Levinas een bijdrage, naast onder anderen Ricoeur en Marcel; Levinas’ tekst was “Vérité du dévoilement et vérité du témoignage”. Dat Levinas Gadamer nergens expliciet behandelt, wordt opgemerkt in de onder noot 8 genoemde studie van King. Gadamers opmerking over Levinas staat in “Hermeneutics and Logocentrism”, in Dialogue and Deconstruction: The Gadamer-Derrida Encounter, red. Diane P. Michelfelder en Richard E. Palmer, Albany: SUNY Press, 1989, p. 114 tot 125; geciteerd in King.

  3. Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode (1960), het deel over het wirkungsgeschichtliche Bewusstsein en de Verschmelzung der Horizonte; daar ook de opmerking dat de hermeneutische taak erin bestaat de spanning tussen de horizonten niet toe te dekken maar bewust te ontvouwen.

  4. De voorrang van het horen: Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode (1960), 7e druk, Tübingen 2010, p. 466 en 467: de dialectiek van het horen (”wer angeredet wird, hören muss, ob er will oder nicht”) en “der Vorrang des Hörens” als grondslag van het hermeneutische fenomeen, met Gadamers eigen verwijzing naar Aristoteles (De sensu; Metaphysica). [Duitse formuleringen nog controleren in eigen exemplaar.]

  5. De ervaring van het Du: Wahrheit und Methode, het slot van de paragraaf over het begrip ervaring en het wezen van de hermeneutische ervaring (in de Duitse uitgave p. 361 tot 368): de vormen van de Du-ervaring, de zorgzaamheid als verhulde heerschappij, en de zinnen over openheid en over het bij elkaar horen als naar elkaar kunnen luisteren. Hier geciteerd naar de Engelse vertaling van Weinsheimer en Marshall (Truth and Method, ed. 2013). [Duitse tekst en exact paginanummer nog controleren.]

  6. Kunst als spel: het spel als beweging die de spelers overstijgt, de Spielraum en de toeschouwer als deelnemer worden uiteengezet in Cynthia R. Nielsen, “Gadamer on Play and the Play of Art”, in The Gadamerian Mind, red. Theodore George en Gert-Jan van der Heiden, Londen: Routledge, 2021, naar Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode (1960) en Die Aktualität des Schönen (1977). Het citaat over het spel als eigenlijk subject: Gadamer, Truth and Method, ed. 2013, p. 106 e.v. De hermeneutische kernformules: “im Verstehen die Andersheit des Anderen nicht aufzuheben, sondern zu bewahren” (Gesammelte Werke II, 5) en “Im-Gespräch-Sein heißt aber Über-sich-hinaus-sein” (GW II, 369), geciteerd in de onder noot 9 genoemde studie.

  7. Idolatrie en Phaedrus: voor Levinas is de toekenning van waarheid aan de kunst een vorm van idolatrie; het kunstwerk zwijgt en kan zich, als het geschreven woord in Plato’s Phaedrus, niet verdedigen. Zie de onder noot 9 genoemde studie; vgl. Emmanuel Levinas, “La réalité et son ombre” (1948) en het vorige hoofdstuk van dit boek.

  8. De hermeneutische strijdvraag: Robert Bernasconi, “You Don’t Know What I’m Talking About: Alterity and the Hermeneutic Ideal”, in The Specter of Relativism (1995). De verdedigingen van Schmidt, Vilhauer, Gruber en Mehmel, en de ontologische diagnose (verbondenheid tegenover gescheidenheid, de hermeneutiek die “te laat komt”): Christopher King, “Gadamer, Levinas, and the Hermeneutic Ontology of Ethics”, Philosophies 4 (2019), 48.

  9. De ontmoeting die beiden mislopen en de engel in André Gide, Les Faux-Monnayeurs (1925): Colin Davis, “Hermeneutic and Ethical Encounters: Gadamer and Levinas”, in Ethical Issues in Twentieth-Century French Fiction: Killing the Other, Londen: Palgrave Macmillan, 2000 (doi: 10.1057/9780230287471_3).

Reageren

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet getoond. Ik lees elke reactie voordat zij verschijnt.