In het vorige deel bleef een man op een brug staan en liep door. Dit deel begint bij iemand die, toen het erop aankwam, wél antwoordde.
Het denken van Emmanuel Levinas werd gevormd door confrontaties met filosofische tegenstanders, maar evenzeer door een levenslange vriendschap met de Franse schrijver en filosoof Maurice Blanchot. De een redde het gezin van de ander, maar hun theorieën spaarden ze niet. In het hart van hun dispuut stond de taal, en dat debat droeg bij aan een belangrijke wending in Levinas’ werk. Wat waren deze twee vrienden voor elkaar en waar gingen hun wegen uiteen?
De onzichtbare schrijver
Maurice Blanchot werd in 1907 geboren in Bourgondië en leerde Levinas in de jaren twintig kennen toen beiden in Straatsburg studeerden. De uitwisseling was van meet af aan wederzijds: Levinas bracht Blanchot in aanraking met Husserl en Heidegger, Blanchot voerde Levinas de Franse literatuur binnen. Zijn levensloop kent een schaduwzijde die niet verzwegen mag worden. In de jaren dertig schreef hij voor rechtsnationalistische bladen, in een milieu waarin ook antisemitische retoriek klonk. Hoe die periode zich verhoudt tot de man die enkele jaren later het gezin van zijn Joodse vriend liet onderduiken, is een vraag waarover onderzoekers nog altijd niet zijn uitgedacht. Na de oorlog bewoog hij ver naar links en trok hij zich vrijwel volledig terug uit het openbare leven. Hij gaf geen interviews en decennialang circuleerden er nauwelijks foto’s van hem.
Manifest van de 121
Eén keer keerde hij terug in de arena: rond 1958, verontrust door de Algerijnse oorlog en de machtsovername van de Gaulle, vond hij in Parijs een nieuwe vriendenkring rond Marguerite Duras en Robert Antelme. Daaruit ontstond in september 1960 de Déclaration sur le droit à l’insoumission dans la guerre d’Algérie, beter bekend als het Manifest van de 121, naar de honderdeenentwintig schrijvers, kunstenaars en wetenschappers die tekenden, onder wie Sartre, De Beauvoir, Duras en Breton. De tekst, waarvan Blanchot een van de voornaamste opstellers was, verklaarde het recht om de wapens te weigeren tegen het Algerijnse volk gerechtvaardigd, op een moment dat het Franse leger folterde en dienstweigering strafbaar was. De staat reageerde hard: tegen ondertekenaars werd vervolging ingesteld, en wie voor de radio, de televisie of het gesubsidieerde toneel werkte, kwam op een zwarte lijst. Voor Blanchot was het weigeren, le refus, de plek waar literatuur en politiek elkaar raken, en in het anonieme, collectieve schrijven van zo’n verklaring herkende hij dezelfde uitwissing van het ik die hij in de literatuur zocht. Blanchot wilde het daar zelf niet bij laten: in een brief aan Sartre, december 1960, hield hij hem voor dat het manifest niet zonder vervolg mocht blijven en dat alleen een nieuw, internationaal tijdschrift die beweging kon dragen. Het plan voor die revue strandde, mede doordat Sartre afhaakte, maar de fragmentarische schrijfwijze die Blanchot ervoor ontwikkelde, bleef. In zijn late werk, Le pas au-delà en L’écriture du désastre, viel zelfs de vorm van het boek uiteen: hij schreef nog slechts in fragmenten, alsof ook de zin niet meer heel mocht zijn. De schrijver die betoogde dat het schrijven het ik uitwist, leefde daar ook naar. In de zomer van 1944 ontsnapte hij ternauwernood aan executie door een Duits vuurpeloton, een ervaring waarover hij vijftig jaar later, in zijn laatste verhalende tekst L’instant de ma mort, alsnog schreef. Hij stierf in 2003 en overleefde zijn vriend daarmee met ruim zeven jaar. (1)
Een redding in de oorlogsjaren
Wie de verhouding tussen deze twee denkers wil begrijpen, moet beginnen bij de Tweede Wereldoorlog. Levinas bracht de jaren vanaf 1940 door als krijgsgevangene in een Duits kamp. Zijn familie in Litouwen werd door de nazi’s vermoord. Zijn vrouw Raïssa en dochter Simone overleefden de Holocaust, ondergedoken met directe hulp van Blanchot, die ook de briefwisseling tussen Levinas en zijn gezin gaande hield. Levinas is die daad nooit vergeten. In een interview sprak hij later over de morele hoogte van zijn vriend als datgene wat het meest telt. (2) Toch hielden de twee er fundamenteel verschillende filosofische opvattingen op na.
Het anonieme geruis en het masker van de kunst
Een eerste verschilpunt was de waardering van kunst en literatuur. Beide denkers kenden dezelfde grondervaring, die Levinas het il y a noemde: het anonieme geruis van het kale bestaan dat overblijft wanneer al het andere wegvalt. Voor Levinas was dit een beklemmende toestand waaraan de mens moet ontkomen, en de uitweg loopt via de ander. In zijn eerste hoofdwerk, Totalité et infini (1961), stelt hij dat het Gelaat van de Ander de plaats is waar werkelijke transcendentie zich voordoet: de Ander spreekt tot ons in een levende, directe ontmoeting. Kunstwerken en gedichten doen daar volgens hem afbreuk aan. Zodra een schrijver zijn gedachten op papier zet, stolt de levende expressie tot een vaste vorm, een masker. Elk kunstwerk is uiteindelijk een standbeeld, een stilstand van de tijd, schreef Levinas al in 1948, en het Gelaat is nu juist tot geen enkele plastische vorm te herleiden. Poëzie, met haar ritme en bekoring, staat daarmee de ethische urgentie in de weg. (3)
Schrijven als verlies van controle
Blanchot kijkt hier fundamenteel anders naar. Hij zag in datzelfde onpersoonlijke il y a de eigen ruimte van de literatuur. Levinas zelf heeft die verwantschap zwart op wit gezet: in De l’existence à l’existant verwijst hij naar Blanchots debuutroman Thomas l’Obscur uit 1941, waarvan de openingsbladzijden volgens hem de beschrijving van het il y a bevatten. De filosoof die de kunst wantrouwde, erkende daarmee dat de roman van zijn vriend kon tonen wat zijn eigen begrippen alleen konden benaderen. (4) Het schrijven (écriture) is voor hem geen uiting van de verbeelding of het meesterschap van een schrijver. Het is een gebeurtenis die het bewustzijn van de auteur onderbreekt, de subjectiviteit binnenstebuiten keert en de mens blootstelt aan wat hij het Buiten noemt. Blanchot spreekt van désoeuvrement, ontwerking: het schrijven ontregelt voortdurend het werk zelf en alle vaste betekenissen. Schrijven, noteerde hij in L’espace littéraire, is zich overleveren aan de fascinatie van de afwezigheid van tijd. Schrijven is bij hem geen greep op de wereld. Het is de uiterste overgave aan het verlies van die greep. (5)
Even radicaal dacht Blanchot over het lezen. Werkelijk lezen is bij hem iets anders dan een tekst inlijven in wat je al weet of onderbrengen in een categorie die klaarstond; het eerbiedigt de eigenheid van dit ene werk, en wie dat ernstig neemt, merkt dat elke ware lezing een kleine crisis is. De schrijver schrijft voor mensen die hij niet kent: de onbekende lezer is de leegte waarin ieder die schrijft zich moet wagen. (6)
Maurice Blanchot and Emmanuel Lévinas (Photo: Simone Hansel)
De inwisselbare mens in Aminadab
Levinas gebruikte op zijn beurt het literaire werk van zijn vriend om zijn eigen ethiek scherper te formuleren. In zijn vroege werk verwijst hij kritisch naar Aminadab, de roman die Blanchot in 1942 publiceerde en die de naam draagt van een van Levinas vermoorde broers. In dit verhaal loopt de jonge hoofdpersoon Thomas een huis binnen waar niemand lijkt te wonen en waar alle personages onderling verwisselbaar zijn. De relaties zijn er volkomen wederkerig: de een is voor de ander precies wat de ander voor hem is. Juist daardoor gebeurt er niets meer en wordt een werkelijke relatie met de Ander onmogelijk. Voor Levinas laat dit zien dat de ontmoeting met het Gelaat asymmetrisch moet zijn en dat de Ander uniek en oninwisselbaar is. (7)
De relatie van de derde soort
Toen Totalité et infini verscheen, was Blanchot vermoedelijk de eerste die het boek publiekelijk besprak, in drie artikelen in de Nouvelle Revue Française (1961 en 1962), later, deels herwerkt, opgenomen in L’entretien infini. (8) Hij las het werk van zijn vriend met grote instemming, en met één aanhoudende reserve. (9) Voor Blanchot voltrekt de verhouding tot de Ander zich in de spraak, en die verhouding noemt hij de relatie van de derde soort: een relatie zonder eenheid en zonder gelijkheid, met een Ander die zelf zonder horizon is. De mens, schrijft hij, is “meer Ander dan al het andere”. Waar Levinas de Ander hoogte en gebod toekent, laat Blanchot die ethische hoogte los en denkt hij de andersheid als het neutrale, als een oneindige afstand die door de taal wordt opengehouden. De ontmoeting van aangezicht tot aangezicht die Levinas beschrijft, veronderstelt volgens Blanchot deze vreemde ruimte al.
De katalysator voor Anders dan Zijn
Blanchots lezing legde een ongemakkelijk probleem bloot. Levinas probeerde het onzegbare, de ethische betekenis van het Gelaat, vast te leggen in de taal van de westerse filosofie. Daarmee dreigde hij te doen wat hij bestreed: de Ander opsluiten in een systeem van vaste concepten. Vanuit Blanchots perspectief bleef Totalité et infini, ondanks alle onderbrekingen, binnen de ruimte van het Boek. Derrida formuleerde in Violence et métaphysique (1964) een verwante kritiek.
Deze kritische lezingen droegen bij aan de wending in Levinas’ tweede hoofdwerk, Autrement qu’être (Anders dan Zijn, 1974). Daar introduceert hij het onderscheid tussen le Dire en le Dit. Zijn stijl verandert mee: het boek betoogt zijn ethiek en voltrekt haar tegelijk in het schrijven zelf. Levinas gebruikt de taal en herroept haar direct weer, in wat hij zelf exasperatie als filosofische methode noemt, om de Zegging te redden uit de greep van het Gezegde. Een abrupte ommezwaai was het overigens niet: de gedachten over het schrift die hier hun beslag krijgen, gaan terug op een essay uit 1949, La transcendance des mots. (10)
Een vriendschap zonder gelijk
Zo wordt de dynamiek van deze vriendschap zichtbaar. Twee mannen die elkaar in de oorlog op leven en dood trouw bleven, bleven elkaar ook intellectueel bevragen, tot het einde. Blanchots denken over het geschreven woord dwong Levinas om zijn filosofie verder te drijven dan de vorm van het traktaat toeliet, en Levinas ethiek liet in Blanchots werk een onuitwisbaar spoor na.
Blanchot heeft over vriendschap zelf geschreven, in de bundel die hij na de dood van zijn andere goede vriend, Georges Bataille, de titel L’Amitié meegaf. Vriendschap is daar het tegendeel van versmelting. Wij moeten ervan afzien, schrijft hij, degenen met wie ons iets wezenlijks verbindt te willen kennen; zelfs in de grootste vertrouwdheid bewaart de vriend een oneindige afstand, en juist die afstand maakt de verhouding tot verhouding. Latere lezers hebben opgemerkt hoe dicht dit bij Levinas komt: ook de vriendschap is bij Blanchot asymmetrisch, zonder ruil en zonder de eis van wederkerigheid. (11) Zijn vriendschap met Levinas was er het levende bewijs van.
Die vriendschap was bovendien tweestemmig, ook in druk. Levinas wijdde in 1975 een heel boekje aan het werk van zijn vriend, Sur Maurice Blanchot; het bleef het enige boek dat hij aan het werk van een vriend wijdde. En Blanchot, de man die vrijwel niemand meer zag, schreef in 1993 dat Levinas de enige vriend was die hij tutoyeerde en die hem tutoyeerde, een bewust besluit van beiden, een pact dat hij hoopte nooit te verbreken. (12)
Ik herken deze vriendschap op afstand. Ik heb niet veel vrienden; een handvol. Ik heb wel veel goede kennissen. Veel van hen wonen niet bij mij in de buurt maar juist ver weg in Frankrijk, Israël, Spanje, Turkije, Amerika, Engeland. Soms zien we elkaar maandenlang niet, soms jarenlang. Het doet er bij mij niet toe. De verbondenheid zit voor mij niet in de frequentie; ze zit in het respect voor de Ander, in de ruimte en verbondenheid die er meteen weer is zodra we elkaar spreken.
En er is één vriendschap die mij dit voorgoed heeft geleerd. Een hele dierbare vriend van mij is enkele jaren geleden uit het leven gestapt. Ik vertel dit in deel zeven van deze reeks. De laatste keer dat wij elkaar spraken, mijmerden we over bijna veertig jaar vriendschap. We kwamen tot de conclusie: wij hebben nooit over elkaar geoordeeld, we hebben alleen maar van elkaar gehouden. Als er één ding is dat ik uit dit deel wil doorgeven, dan dat. Blanchot zou het, denk ik, hebben verstaan.
Noten
-
Biografie van Blanchot: de ontsnapping aan het vuurpeloton in 1944 en de late verwerking daarvan in L’instant de ma mort (1994) worden besproken in Hongyi Kang, The Writing of Transcendence (2020), hoofdstuk twee, mede aan de hand van Derrida’s lezing Demeure (1996). Voor de biografische gegevens, waaronder de journalistieke periode in de jaren dertig en de politieke terugkeer rond het Manifest van de 121 (1960): Christophe Bident, Maurice Blanchot: Partenaire invisible, Seyssel: Champ Vallon, 1998. Over de kring rond Duras en Antelme vanaf 1958 en de fragmentarische schriftuur van Le pas au-delà (1973) en L’écriture du désastre (1980): Éric Hoppenot, “Maurice Blanchot et l’écriture fragmentaire: ‘le temps de l’absence de temps’”, in Ricard Ripoll (red.), L’Écriture fragmentaire: théories et pratiques, actes van het eerste internationale congres van de GRES (Barcelona, 2001), Perpignan: Presses Universitaires de Perpignan, 2002. Blanchots brief aan Sartre van 2 december 1960 over de noodzaak van een tijdschrift als vervolg op het Manifest is gepubliceerd in het dossier over de Revue internationale in Lignes, nr. 11, september 1990. Het citaat over de afwezigheid van tijd: Maurice Blanchot, L’espace littéraire, Parijs: Gallimard, 1955 (« Écrire, c’est se livrer à la fascination de l’absence de temps »).
-
De redding door Blanchot: tijdens de Tweede Wereldoorlog overleefden de vrouw en dochter van Levinas de Holocaust dankzij een onderduikadres dat Maurice Blanchot regelde, terwijl de familie van Levinas in Litouwen werd vermoord. Zie Kang, The Writing of Transcendence, hoofdstuk over de biografische context. Het interviewcitaat over Blanchots “morele hoogte” komt uit de gesprekken met François Poirié: Emmanuel Lévinas. Qui êtes-vous?, Lyon: La Manufacture, 1987, heruitgegeven als Emmanuel Levinas. Essai et entretiens, Arles: Actes Sud, 1996. [Precieze vindplaats van het citaat bij publicatie verifiëren.]
-
Het masker van de kunst: Levinas wantrouwt poëtische en literaire activiteit omdat de levende expressie er stolt tot een plastische vorm die de ethische ontmoeting van aangezicht tot aangezicht blokkeert. Het axioma komt uit het vroege essay “La réalité et son ombre” (Les Temps Modernes, 1948): « Toute image est, en fin de compte, plastique, et toute œuvre d’art est, en fin de compte, statue ». In Totalité et infini keert de gedachte terug in de beschrijving van het Gelaat als onherleidbaar tot elke plastische vorm. Zie de bespreking in Gabriel Riera, Intrigues: From Being to the Other (New York: Fordham University Press, 2006).
-
Het il y a en de ruimte van de literatuur: Blanchot verstond het onpersoonlijke, dat bij Levinas als il y a verschijnt, als de voorwaarde van het schrijven zelf. Zie Kris Sealey, “The ‘face’ of the il y a” (Continental Philosophy Review, 2013) en Berta Galofré Claret, “The ethics of poetic expression” (Enrahonar, 2022). Levinas’ verwijzing naar Thomas l’Obscur (1941) als beschrijving van het il y a staat in De l’existence à l’existant, Parijs 1947, in een noot bij het hoofdstuk over het il y a.
-
Schrijven als désoeuvrement: volgens Blanchot is schrijven geen product van het genie van de auteur, maar een onderbreking van het bewustzijn die het subject blootstelt aan het Buiten. Hij noemt dit désœuvrement (ontwerking), een beweging die elke stabiele structuur of betekenis in een werk tegenspreekt. Vgl. Maurice Blanchot, L’espace littéraire (1955) en de analyse in Riera, Intrigues.
-
Over het ware lezen dat de singulariteit van het werk eerbiedigt, en over de onbekende lezer als de leegte waarin de schrijver zich waagt: John Lechte, Fifty Key Contemporary Thinkers, tweede editie, Londen: Routledge, 2008, lemma Maurice Blanchot; vgl. Maurice Blanchot, Le livre à venir, Parijs: Gallimard, 1959.
-
Kritiek op absolute wederkerigheid: Levinas illustreert de noodzaak van asymmetrie aan de hand van Blanchots roman Aminadab (1942), waarin de relaties volkomen wederkerig zijn (”l’un est pour l’autre ce que l’autre est pour lui”) en er door “la réciprocité totale” niets meer gebeurt, zodat de relatie met de ander onmogelijk wordt. Emmanuel Levinas, Le temps et l’autre, p. 75; vgl. Sur Maurice Blanchot, Parijs 1975, p. 30-31 en 57-58. Zie ook Annetje Ravestein, De roepende (Utrecht 1999), hoofdstuk II, p. 109.
-
De relatie van de derde soort: Blanchot ontwikkelt deze gedachte in gesprek met Totalité et infini, in de artikelen “Connaissance de l’inconnu” (NRF, december 1961), “Tenir parole” (NRF, februari 1962) en “Le rapport du troisième genre” (NRF, april 1962), herwerkt opgenomen in L’entretien infini (Parijs: Gallimard, 1969). De bibliografie van de Espace Maurice Blanchot (blanchot.fr) vermeldt de NRF-publicatie van april 1962 onder de titel “L’Indestructible”; de tekst kreeg zijn definitieve titel, “Le rapport du troisième genre (homme sans horizon)”, in L’entretien infini. De formulering luidt daar dat de Ander, als mens, “meer Ander is dan al het andere” (EI, p. 103), en dat de spraak de relatie vormt van wat radicaal gescheiden blijft, “zonder eenheid, zonder gelijkheid” (EI, p. 99). Vgl. Riera, Intrigues, hoofdstuk 7, en Éric Hoppenot, “Blanchot lecteur de Levinas, l’exhortation d’un saut”, in Éric Hoppenot, Michel Olivier en Joëlle Hansel (red.), Totalité et infini, une œuvre de ruptures, Parijs: Manucius, 2017.
-
De verstrengelde handschriften: Hoppenot toont aan de hand van Blanchots archief dat deze na de verschijning van Totalité et infini bijna dertig pagina’s citaten kopieerde en daarbij, ook in zijn gepubliceerde artikelen, de typografische markering tussen citaat en commentaar wegliet, zodat de schrifturen van beide denkers “onontwarbaar verbonden, zonder grenzen” raakten (”inextricablement liées, sans frontières”). Blanchot woonde bovendien, hoewel hij teruggetrokken leefde, de promotie van Levinas bij, op 6 juni 1961. Hoppenot, “Blanchot lecteur de Levinas, l’exhortation d’un saut”, p. 249-251.
-
De katalysator voor Anders dan Zijn: vanuit Blanchots perspectief bleef Totalité et infini binnen “de ruimte van het Boek”; de performatieve dimensie van Autrement qu’être (1974), met het onderscheid tussen Zegging (le Dire) en Gezegde (le Dit) en de methode van de “exasperatie”, kan als antwoord daarop worden gelezen. Riera, Intrigues, hoofdstuk over Otherwise than Being. Riera wijst er tevens op dat deze schriftuurlijke ideeën teruggaan op Levinas’ essay “La transcendance des mots” (1949), zodat van een abrupte breuk geen sprake is. Voor de verwante kritiek van Derrida: “Violence et métaphysique” (1964), opgenomen in L’écriture et la différence (1967).
-
Blanchot over vriendschap: Maurice Blanchot, L’Amitié, Parijs: Gallimard, 1971, met name het gelijknamige slotessay voor Georges Bataille (”Nous devons renoncer à connaître ceux à qui nous lie quelque chose d’essentiel”). Over vriendschap als asymmetrie, zonder band en zonder wederkerigheid, in het spoor van Derrida’s Politiques de l’amitié: Patrick ffrench, “Friendship, Asymmetry, Sacrifice: Bataille and Blanchot”, Parrhesia 3 (2007), 32-42. Voor teksten, archiefmateriaal en actuele Blanchot-studies: blanchot.fr, de site van de Espace Maurice Blanchot.
-
Emmanuel Levinas, Sur Maurice Blanchot, Montpellier: Fata Morgana, 1975. Dat Levinas de enige vriend was die Blanchot tutoyeerde, staat in de slotalinea van Pour l’amitié, Parijs: Fourbis, 1996; de tekst verscheen eerder, in 1993, als voorwoord bij Dionys Mascolo, À la recherche d’un communisme de pensée (« C’est là mon salut à Emmanuel Levinas, le seul ami — ah, ami lointain — que je tutoie et qui me tutoie »).
Laat een reactie achter