Van 1934 tot 1972 opende Gabriel Marcel vrijwel elke vrijdagavond de deur van zijn appartement aan de rue de Tournon 21 in Parijs. In een schaars verlichte werkkamer, vol boeken, kwamen denkers samen rond vragen die niemand van hen op dat moment kon afronden. Paul Ricoeur was er, Jean Wahl, Simone de Beauvoir, Nicolas Berdjajev, Jean-Paul Sartre. En een jonge Emmanuel Levinas, die in diezelfde jaren de fenomenologie van Husserl en Heidegger in Frankrijk introduceerde en hier een andere manier van denken aantrof. Ricoeur beschreef later hoe die avonden werkten: ieder werd uitgenodigd een gezamenlijk gekozen onderwerp te behandelen, zonder zich te beroepen op de autoriteit van een gevestigde filosoof, alleen op de analyse van gedeelde en raadselachtige ervaringen, zoals de belofte of het gevoel van onrecht. Sartre en De Beauvoir hebben zich later zelden over hun aanwezigheid uitgelaten. Levinas en Ricoeur hebben hun schuld aan Marcel uitgesproken.(1)
Marcel zelf hield afstand van het etiket existentialist. Hij verklaarde zich graag een neo-socraticus, iemand die het gesprek zelf als methode koos.(2) Die keuze had een herkomst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog leidde Marcel een dienst van het Rode Kruis die vermiste soldaten opspoorde en berichten doorgaf aan hun families.(3) Wie dat werk doet, leert dat een mens nooit samenvalt met een dossiernummer. Achter elk nummer wachtte een familie op een naam en een bericht.
Probleem en mysterie
Stel dat we liefde zouden benaderen als een probleem. Dan kijken we ernaar als een buitenstaander. We analyseren: liefde is een chemische reactie in de hersenen, een evolutionair mechanisme voor voortplanting, of een algoritme op een datingapp dat mensen selecteert op basis van een wensenlijstje. We maken er een techniek van, en we reduceren de ander tot een object met eigenschappen.
Voor Marcel is liefde bij uitstek een mysterie, omdat wie liefde onderzoekt er zelf fundamenteel bij betrokken is. Wie de liefde wil bestuderen, staat er nooit buiten. Marcel omschrijft het mysterie daarom als een probleem dat inbreekt op zijn eigen gegevens: het onderzoek verandert mee met degene die het onderneemt.(4) Hoe ver dat voor hem reikt, blijkt uit één zin die de richting van heel zijn denken aangeeft:
“Iemand liefhebben is tegen de ander zeggen: jij, jij zult niet sterven.”(5)
Wat voor de liefde geldt, geldt ook voor verdriet en voor het zwijgen van iemand die je dierbaar is: het zijn mysteries waarin je zelf verwikkeld bent. Wie een ander als een probleem behandelt, gaat op zoek naar de juiste aanpak. Wie een ander toelaat als mysterie, weet dat er geen aanpak bestaat die volstaat. Lezers van de eerdere blogs over Levinas herkennen hier iets. Wat Marcel het mysterie noemt, ligt dicht bij wat Levinas later over het gelaat schrijft: het onttrekt zich aan mijn begrip en mijn greep, hoe lang ik ook kijk.
Een dialogale denker
Om die reden wordt Marcel gerekend tot de dialogale denkers, in het gezelschap van Martin Buber, Ferdinand Ebner en Franz Rosenzweig. Wat hen verbindt, is dat ze het denken laten beginnen bij het gesprek zelf, bij de aanspraak van de een tot de ander, eerder dan bij een individu dat de wereld overziet. Bij Buber krijgt dat vorm in het onderscheid tussen de Ik-Gij-relatie en de Ik-Het-relatie: de ander ontmoeten als een wie, tegenover de ander reduceren tot een wat.(6) Marcel dacht in dezelfde richting en gebruikte er zijn eigen woorden voor. Wie een Gij behandelt als een Hij, schrijft hij in Être et avoir, reduceert de ander tot louter natuur, tot een voorwerp met eigenschappen. Wie de ander als Gij benadert, treft een vrijheid.(7) Wat bij Buber de Ik-Gij-relatie heet, is bij Marcel de ontmoeting met het mysterie. Wat bij Buber de Ik-Het-relatie is, is bij Marcel het probleem.(8)
Voor de houding die bij het mysterie past, had Marcel een eigen woord: disponibilité, door mij vertaald als ontvankelijkheid. Het is de bereidheid om jezelf beschikbaar te stellen voor de ander, zonder hem of haar vooraf te herleiden tot een functie. De tegenpool noemde hij indisponibilité, onontvankelijkheid, die vaak voortkomt uit trots of uit een blik die de ander alleen nog ziet in wat hij oplevert(9); een soort economische waarde. Die ontvankelijkheid begint bij Marcel in het lichaam. Hij hechtte veel belang aan wat hij incarnatie noemde: het gegeven dat ik mijn lichaam ben, de situatie van waaruit al het andere pas mogelijk wordt.(10) Voor je iets zegt, ben je al aanwezig of afwezig voor de ander. De ontmoeting begint bij het lichaam, eerder dan bij het woord.
Lichaam en woord
En hier komt het gesprek met Levinas op scherp te staan. Bij Levinas opent de ethische verhouding zich in het spreken: het gelaat van de Ander spreekt mij aan, nog voor er woorden vallen, en die aanspraak gaat vooraf aan alles wat vervolgens gezegd wordt. Marcel legt het gewicht bij de belichaamde aanwezigheid, Levinas bij het gelaat dat aanspreekt. Beide denkers wantrouwen het woord dat te snel vastlegt wat open moet blijven, en ze zoeken die openheid op een andere plek: de een in het lichaam dat er al is voordat iemand iets zegt, de ander in de aanspraak die aan elk gezegde voorafgaat.
Waar de wegen uiteenlopen
Het diepste verschil ligt in de richting van de ontmoeting. Bij Marcel is ze uiteindelijk gericht op wederkerigheid. Hij spreekt over communion, een ruimte waarin twee mensen elkaar ontmoeten en samen iets vormen dat ze afzonderlijk missen, een voortdurende oefening die hij fidélité créatrice noemde, creatieve trouw.(11) Bij Levinas ligt dat anders. De Ander spreekt mij aan, vóór ik daarvoor kies, zonder dat de Ander mij iets verschuldigd is. De verhouding blijft asymmetrisch: ik sta in voor de Ander, en of daar ooit iets tegenover staat, doet niets af aan die verantwoordelijkheid.
Marcel heeft dat verschil zelf gezien en er stelling tegen genomen. Zijn beeld van de werkelijkheid als een geheel van verbonden wezens, was mede bedoeld als weerwoord aan filosofen van de absolute andersheid, onder wie hij Levinas rekende.(12) Voor Marcel dreigt een andersheid die volstrekt buiten elk verband staat, de ontmoeting zelf onmogelijk te maken. Voor Levinas dreigt een andersheid die in een verband wordt opgenomen, haar vreemdheid te verliezen en daarmee haar appèl. Het meningsverschil tussen die twee mannen die elkaar veertig jaar kenden, is niet uitgevochten, en het is nooit opgelost.
Wat ik bij Marcel herken
Het onderscheid tussen probleem en mysterie lees ik als een luisterles. Zodra ik de ander behandel als een vraagstuk met een oplossing, sta ik erbuiten en heb ik mijn oordeel al klaar. Dat ligt dicht bij wat ik oordeelbewustzijn noem, al komt Marcel er langs een andere weg: hij vraagt zich af wat voor soort kennis hier eigenlijk mogelijk is.
Marcel is bovendien een denker van de gewone werkelijkheid. De vrijdagavonden aan de Rue de Tournon begonnen bij gedeelde ervaringen, zoals de belofte of het gevoel van onrecht, en zijn filosofie groeide uit het werk bij het Rode Kruis, waar achter elk dossiernummer een familie wachtte. Die beweging hoop ik in mijn eigen vignetten vast te houden: de scène eerst, het denken erna. Ook zijn aandacht voor het lichaam, voor het aanwezig of afwezig zijn voordat er iets gezegd wordt, geeft woorden aan iets dat de luisterpraktijk elke dag laat zien.
Toch blijft Levinas voor mij de ethische grond. Marcel zoekt uiteindelijk de wederkerigheid, de communion; in mijn werk heb ik juist de asymmetrie nodig, het besef dat het appèl van de ander niet afhangt van wat er terugkomt. Misschien is dat waarom het bestuderen van Marcel zo fijn was. Hij is verwant genoeg om te verhelderen en anders genoeg om Levinas scherp te houden.
Marcel verbond aan zijn denken een vorm van hoop. Optimisme rekent op een goede afloop; hoop houdt een ruimte open voor wat nog niet zichtbaar is en verdraagt het dat de afloop onbekend blijft.(13)
Voor mij is dat misschien wel de meest Marcelliaanse omschrijving van luisteren: ruimte openhouden voor wat nog niet zichtbaar is. Het is wellicht wat hij op die vrijdagavonden aan de jonge Levinas meegaf: het besef dat een deur kan openstaan voordat iemand weet wat erachter ligt.
Noten
-
De vrijdagavonden vonden van 1934 tot 1972 vrijwel zonder onderbreking plaats in Marcels appartement aan de rue de Tournon 21, waar een gedenkplaat aan hem herinnert. De kring van bezoekers, onder wie Ricoeur, Levinas, Jean Wahl, Simone de Beauvoir, Berdjajev en Sartre: Stanford Encyclopedia of Philosophy, “Gabriel (-Honoré) Marcel”. Ricoeurs herinnering aan de werkwijze van de avonden staat in zijn intellectuele autobiografie Réflexion faite (1995), aangehaald in “La philosophie dans ses meubles (1): Gabriel Marcel”, En attendant Nadeau, 2017. Daar ook de vaststelling dat Sartre en De Beauvoir zich zelden over hun aanwezigheid hebben uitgelaten, terwijl Levinas en Ricoeur hun schuld aan Marcel hebben uitgesproken.
-
Marcels zelfomschrijving als neo-socraticus: “Gabriel Marcel, qui n’aime pas à être qualifié d’existentialiste, se déclare volontiers un « néo-socratique »”, in een exposé van zijn filosofie naar aanleiding van Roger Troisfontaines, De l’existence à l’être, in Revue philosophique de Louvain 53 (1955).
-
Marcels leiding van een Rode Kruisdienst voor het opsporen van vermiste soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog is in de biografische literatuur breed gedocumenteerd, onder meer in de biografische schets van Éditions Arfuyen: “Durant la guerre, il dirige un service de la Croix-Rouge destiné à retrouver les combattants disparus.”
-
Het onderscheid tussen probleem en mysterie, met de formulering van het mysterie als “een probleem dat inbreekt op zijn eigen gegevens” (un problème qui empiète sur ses propres données): Gabriel Marcel, “Position et approches concrètes du mystère ontologique” (1933) en Être et avoir (1935). In het Engels opgenomen in The Philosophy of Existentialism (1956) als “On the Ontological Mystery”. De liefde behoort daar, naast het kwaad en de trouw, tot Marcels eigen voorbeelden van het mysterie.
-
“Aimer un être, c’est lui dire: toi, tu ne mourras pas.” De uitspraak dient als titel en leidmotief van de bloemlezing Tu ne mourras pas, teksten gekozen en ingeleid door Anne Marcel, met een voorwoord van Xavier Tilliette (Paris: Arfuyen, 2005). De Association Présence de Gabriel Marcel schrijft dat deze zin de richting van heel zijn denken aangeeft.
-
Buber over de Ik-Gij en Ik-Het relatie: Martin Buber, Ich und Du (1923).
-
Marcels eigen onderscheid tussen Gij en Hij: Gabriel Marcel, Être et avoir (1935); in de Engelse vertaling Being and Having, vertaald door Katherine Farrer (Westminster: Dacre Press, 1949)
-
De parallel tussen Bubers Ik-Gij/Ik-Het en Marcels mysterie/probleem: Robert E. Wood, “The Dialogical Principle and the Mystery of Being: The Enduring Relevance of Martin Buber and Gabriel Marcel”, International Journal for Philosophy of Religion 45, nr. 2 (1999).
-
Disponibilité en indisponibilité: Stanford Encyclopedia of Philosophy, “Gabriel Marcel”, over intersubjectiviteit. Ik vertaal disponibilité als ontvankelijkheid en houd beschikbaarheid apart voor mijn eigen derde grondbegrip, dat ik niet aan Marcel ontleen.
-
Incarnatie als grondmotief: Gabriel Marcel, Journal métaphysique (1927) en Être et avoir (1935). Marcel noemt de incarnatie de centrale gegevenheid van de metafysica, de gegevenheid van waaruit elk feit pas mogelijk wordt.
-
Communion en fidélité créatrice: Gabriel Marcel, Du refus à l’invocation (1940); Engelse vertaling Creative Fidelity, vertaald door Robert Rosthal (New York: Farrar, Straus and Company, 1964).
-
Marcels beeld van “constellaties” van verbonden wezens als weerwoord aan filosofen van de absolute andersheid, onder wie Levinas: Stanford Encyclopedia of Philosophy, “Gabriel Marcel”. Zie voor de verhouding tussen beide denkers ook Brian Treanor, Aspects of Alterity: Levinas, Marcel, and the Contemporary Debate (New York: Fordham University Press, 2006).
-
Hoop als houding die ruimte openhoudt, onderscheiden van optimisme: Gabriel Marcel, Homo viator: prolégomènes à une métaphysique de l’espérance (Paris: Aubier, 1945).
Laat een reactie achter