Me voici Hier ben ik

Een filosofische reis naar de Ander

De kast

Ik ontmoet haar in de koffieruimte. Ze kijkt televisie. Ze kan niet meer spreken, een ziekte heeft haar taal weggenomen en nog veel meer. Ik vraag of ze met mij meeloopt naar haar kamer.

Als we binnenkomen, is het stil. Het raam naar de tuin staat open. Zij gaat op bed zitten, haar handen rustig in haar schoot, haar ogen wakker. Ik ga op de stoel schuin tegenover haar zitten. In haar kamer hangen foto’s van haar twee dochters, op de tafel liggen kunstboeken.

Ik vraag of haar dochters onlangs nog zijn geweest. Ze knikt niet. Ze kijkt mij strak aan, alsof ze mijn aandacht ergens naartoe wil leiden. Ik zeg: u wilt mij iets duidelijk maken, hè.

Haar ogen richten zich op een kast. Een kast tegen de muur. Een donkere, zware bruine kast, van het soort dat in verpleeghuiskamers staat en waar niemand aandacht aan besteedt. Haar ogen gaan ernaartoe en weer terug naar mij. Ik heb geen idee wat ze duidelijk wil maken, of ze dat eigenlijk wel wil. Haar ogen gaan weer heen en weer.

Ik besluit naast haar te gaan zitten om beter te zien waar ze naar kijkt. Steeds opnieuw gaat haar blik naar de kast, alsof daar iets is wat ik nog niet zie. Ik weet niet wat ze wil. Ik kan het haar niet vragen. Ook kan ik haar niet leren kennen zoals ik iemand in een gesprek leer kennen.

Ik pak een kunstboek en vraag welke kleur zij mooi vindt. Ze wijst wit aan. Ik zeg dat het ook een andere kleur mag zijn. Blader verder, laat haar pagina’s vol kunst zien en vraag opnieuw welke kleur ze het mooist vindt. Het blijft wit.

Dan sta ik op en pak haar hand. Vertel het mij maar, zeg ik. We lopen naar de kast. Ze legt haar hand erop en beweegt haar vingers in een vast ritme, alsof ze het hout wil schuren. Ik pak het kunstboek er weer bij en vraag: welke kleur? Ze wijst opnieuw wit aan.

We zijn nu een halfuur in haar kamer. Zonder woorden voel ik mij ergens met haar verbonden. Durf ik het aan. Ik vertel haar dat ik denk dat ze de kast wit wil hebben. Dat ik iets ga proberen, zonder zeker te weten of ik haar goed heb begrepen en of het lukt. Ik vraag de manager of zij onder de vrijwilligers iemand kan vinden die haar wil helpen de kast wit te schilderen.

Een paar weken later ontvang ik een foto. Ze staat naast de kast, die nu wit is geschilderd. In haar blik meen ik iets van erkenning te lezen. Zeker zal ik het nooit weten. Van de vrijwilliger hoor ik dat ze fanatiek heeft meegeholpen met schuren en schilderen.

Pas achteraf begrijp ik iets van die middag. Ik had mij al naar haar toegekeerd voordat ik wist wat ik moest doen. Iets in mij had geantwoord voordat ik bewust koos.

Iemand laat iets zien dat nog geen naam heeft. Ik zie het, maar weet niet wat het betekent. Toch vraagt het iets van mij. Het vraagt de bereidheid om te blijven bij wat ik nog niet versta, en om open te houden dat daar iets te verstaan valt.